BWBR0048319
Geldig vanaf 2023-06-28
Artikel 3
Meerjarige regeling specifieke uitkering herstructurering volkshuisvesting
1. De minister kan op aanvraag van een college een specifieke uitkering verstrekken aan de gemeente voor de uitvoering van een project dat in ieder geval bestaat uit de volgende primaire herstructureringsactiviteiten:
a. woningverbetering: het verbeteren van de kwaliteit van woningen door fysieke ingrepen aan de woning;
b. transformatie: het toevoegen van woningen aan de bestaande woningvoorraad door het herbestemmen van een gebruiksfunctie van een gebouw of een onderdeel daarvan naar een woonfunctie in combinatie met het uitvoeren van fysieke ingrepen;
c. vervangende nieuwbouw: het uit de woningvoorraad halen van slechte woningen en vervangen door betere woningen in hetzelfde projectgebied; of
d. inponding: het aankopen of verwerven van een woning ten behoeve van de herstructurering van deze woning, waaronder uitsluitend: 1. verwerving;
2. advies;
3. participatie; en
4. compensatie van de minimumbijdrage in de verhuiskosten, bedoeld in artikel 220 lid 6 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
1. verwerving;
2. advies;
3. participatie; en
4. compensatie van de minimumbijdrage in de verhuiskosten, bedoeld in artikel 220 lid 6 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Een project kan aanvullend op primaire herstructureringsactiviteiten bestaan uit secundaire herstructureringsactiviteiten:
a. activiteiten in de nabijheid van activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, gericht op de inrichting van de openbare ruimte indien deze noodzakelijk zijn voor het verbeteren van de leefbaarheid en veiligheid;
b. activiteiten in de nabijheid van activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, gericht op het realiseren of herstructureren van collectieve maatschappelijke voorzieningen om de leefbaarheid van het projectgebied te bevorderen en de veiligheid te vergroten; of
c. de voor de uitvoering van het project door de gemeente te maken noodzakelijke projectkosten.
3. De gevraagde rijksbijdrage voor secundaire activiteiten als bedoeld onder artikel 3, tweede lid, mag niet meer dan 30 procent van het totaal van de gevraagde rijksbijdrage bedragen.
a. woningverbetering: het verbeteren van de kwaliteit van woningen door fysieke ingrepen aan de woning;
b. transformatie: het toevoegen van woningen aan de bestaande woningvoorraad door het herbestemmen van een gebruiksfunctie van een gebouw of een onderdeel daarvan naar een woonfunctie in combinatie met het uitvoeren van fysieke ingrepen;
c. vervangende nieuwbouw: het uit de woningvoorraad halen van slechte woningen en vervangen door betere woningen in hetzelfde projectgebied; of
d. inponding: het aankopen of verwerven van een woning ten behoeve van de herstructurering van deze woning, waaronder uitsluitend: 1. verwerving;
2. advies;
3. participatie; en
4. compensatie van de minimumbijdrage in de verhuiskosten, bedoeld in artikel 220 lid 6 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
1. verwerving;
2. advies;
3. participatie; en
4. compensatie van de minimumbijdrage in de verhuiskosten, bedoeld in artikel 220 lid 6 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Een project kan aanvullend op primaire herstructureringsactiviteiten bestaan uit secundaire herstructureringsactiviteiten:
a. activiteiten in de nabijheid van activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, gericht op de inrichting van de openbare ruimte indien deze noodzakelijk zijn voor het verbeteren van de leefbaarheid en veiligheid;
b. activiteiten in de nabijheid van activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, gericht op het realiseren of herstructureren van collectieve maatschappelijke voorzieningen om de leefbaarheid van het projectgebied te bevorderen en de veiligheid te vergroten; of
c. de voor de uitvoering van het project door de gemeente te maken noodzakelijke projectkosten.
3. De gevraagde rijksbijdrage voor secundaire activiteiten als bedoeld onder artikel 3, tweede lid, mag niet meer dan 30 procent van het totaal van de gevraagde rijksbijdrage bedragen.