BWBR0048258
Geldig vanaf 2023-06-13
Artikel 11
Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie
1. Een subsidieaanvraag wordt ingediend bij de minister met gebruikmaking van een daartoe door de minister ter beschikking gesteld middel.
2. Indien op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelastingeen aanvraag is ingediend in het tijdvak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, die niet in aanmerking komt voor toewijzing op grond van die regeling, wordt de aanvraag aangemerkt als aanvraag op grond van deze regeling. In dat geval wordt de aanvraag geacht te zijn gedaan op het tijdstip waarop de oorspronkelijke aanvraag is ingediend en zo nodig is aangevuld om te voldoen aan de wettelijke voorschriften.
3. De aanvraag bevat ten minste de volgende gegevens:
a. gegevens over de aanvrager, waaronder contactgegevens en het nummer waaronder zijn onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel;
b. de veehouderijlocatie van de aanvrager waarop de aanvraag betrekking heeft;
c. het gemiddelde aantal dieren van de diersoorten met productierecht, uitgedrukt in varkenseenheden, pluimvee-eenheden respectievelijk kilogrammen fosfaat, dat op de veehouderijlocatie is gehouden in het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar;
d. de omvang van het productierecht, uitgedrukt in varkenseenheden, pluimvee-eenheden respectievelijk kilogrammen fosfaat, dat zal vervallen;
e. een opgave of de aanvrager voor de veehouderijlocatie beschikt over een natuurvergunning;
f. een opgave van de voor de veehouderij met productierecht op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit, met vermelding, voor zover het een dierenverblijf betreft, van: 1°. de datum waarop voor het eerst landbouwhuisdieren in het dierenverblijf zijn gehouden, en
2°. de oppervlakte van het dierenverblijf, uitgedrukt in m2, uitgaand van de buitenmaten van het dierenverblijf.
1°. de datum waarop voor het eerst landbouwhuisdieren in het dierenverblijf zijn gehouden, en
2°. de oppervlakte van het dierenverblijf, uitgedrukt in m2, uitgaand van de buitenmaten van het dierenverblijf.
4. Bij de aanvraag worden de volgende bescheiden gevoegd:
a. een kopie van, voor zover van toepassing, de omgevingsrechtelijke melding, de omgevingsvergunning beperkte milieutoets of de omgevingsvergunning milieu en de natuurvergunning betreffende de veehouderijlocatie waarop de aanvraag betrekking heeft;
b. een verklaring van de aanvrager dat: 1°. hij op de veehouderijlocatie daadwerkelijk een veehouderij met productierecht drijft;
2°. de voor de veehouderij met productierecht op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt;
1°. hij op de veehouderijlocatie daadwerkelijk een veehouderij met productierecht drijft;
2°. de voor de veehouderij met productierecht op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt;
c. een kopie van de uitkomsten van de berekening van de stikstofvracht op één of meer overbelaste Natura 2000-gebieden;
d. een kopie van de administratie voor het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar, voor zover deze betrekking heeft op de gegevens, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdelen d en e, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;
e. een actuele kaart van de veehouderijlocatie, met aanduiding van de voor de veehouderij met productierecht gebruikte productiecapaciteit;
f. een kopie van de bouwtekening van de dierenverblijven waar de aanvraag betrekking op heeft;
g. een kopie van de meest recente beschikking voor de bepaling van de waarde, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken, van de productiecapaciteit.
2. Indien op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelastingeen aanvraag is ingediend in het tijdvak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, die niet in aanmerking komt voor toewijzing op grond van die regeling, wordt de aanvraag aangemerkt als aanvraag op grond van deze regeling. In dat geval wordt de aanvraag geacht te zijn gedaan op het tijdstip waarop de oorspronkelijke aanvraag is ingediend en zo nodig is aangevuld om te voldoen aan de wettelijke voorschriften.
3. De aanvraag bevat ten minste de volgende gegevens:
a. gegevens over de aanvrager, waaronder contactgegevens en het nummer waaronder zijn onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel;
b. de veehouderijlocatie van de aanvrager waarop de aanvraag betrekking heeft;
c. het gemiddelde aantal dieren van de diersoorten met productierecht, uitgedrukt in varkenseenheden, pluimvee-eenheden respectievelijk kilogrammen fosfaat, dat op de veehouderijlocatie is gehouden in het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar;
d. de omvang van het productierecht, uitgedrukt in varkenseenheden, pluimvee-eenheden respectievelijk kilogrammen fosfaat, dat zal vervallen;
e. een opgave of de aanvrager voor de veehouderijlocatie beschikt over een natuurvergunning;
f. een opgave van de voor de veehouderij met productierecht op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit, met vermelding, voor zover het een dierenverblijf betreft, van: 1°. de datum waarop voor het eerst landbouwhuisdieren in het dierenverblijf zijn gehouden, en
2°. de oppervlakte van het dierenverblijf, uitgedrukt in m2, uitgaand van de buitenmaten van het dierenverblijf.
1°. de datum waarop voor het eerst landbouwhuisdieren in het dierenverblijf zijn gehouden, en
2°. de oppervlakte van het dierenverblijf, uitgedrukt in m2, uitgaand van de buitenmaten van het dierenverblijf.
4. Bij de aanvraag worden de volgende bescheiden gevoegd:
a. een kopie van, voor zover van toepassing, de omgevingsrechtelijke melding, de omgevingsvergunning beperkte milieutoets of de omgevingsvergunning milieu en de natuurvergunning betreffende de veehouderijlocatie waarop de aanvraag betrekking heeft;
b. een verklaring van de aanvrager dat: 1°. hij op de veehouderijlocatie daadwerkelijk een veehouderij met productierecht drijft;
2°. de voor de veehouderij met productierecht op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt;
1°. hij op de veehouderijlocatie daadwerkelijk een veehouderij met productierecht drijft;
2°. de voor de veehouderij met productierecht op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt;
c. een kopie van de uitkomsten van de berekening van de stikstofvracht op één of meer overbelaste Natura 2000-gebieden;
d. een kopie van de administratie voor het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar, voor zover deze betrekking heeft op de gegevens, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdelen d en e, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;
e. een actuele kaart van de veehouderijlocatie, met aanduiding van de voor de veehouderij met productierecht gebruikte productiecapaciteit;
f. een kopie van de bouwtekening van de dierenverblijven waar de aanvraag betrekking op heeft;
g. een kopie van de meest recente beschikking voor de bepaling van de waarde, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken, van de productiecapaciteit.