BWBR0048015
Geldig vanaf 2023-06-01
Artikel 6
Garantstellingsregeling curatoren 2023
1. Geen garantstelling wordt verstrekt indien:
a. het verzoek, bedoeld in artikel 2, een faillissement betreft waarbij de boedel toereikend is voor het instellen van een rechtsvordering dan wel voor het doen van een verhaalsonderzoek of vooronderzoek naar de mogelijkheden daartoe;
b. het verzoek, bedoeld in artikel 2, betrekking heeft op het instellen van een rechtsvordering op een andere grond dan genoemd in artikel 2, eerste lid;
c. het verzoek, bedoeld in artikel 2, niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen bedoeld in artikel 3, eerste, tweede en vierde lid;
d. het verzoek, bedoeld in artikel 2, geen beredeneerde schatting bevat van de kosten van de in te stellen rechtsvordering dan wel voor het doen van een verhaalsonderzoek of vooronderzoek naar de mogelijkheden daartoe;
e. uit het verzoek, bedoeld in artikel 2, blijkt dat het gevraagde garantiebedrag in geen redelijke verhouding staat tot de redelijkerwijs te verwachten opbrengst die door de inspanningen van de curator kan worden verhaald. Van een redelijke verhouding is in ieder geval sprake indien de verhouding tussen de gevraagde garantstelling en de verwachte opbrengst 1:4 is.
f. uit het verzoek, bedoeld in artikel 2, blijkt dat het gevraagde garantiebedrag in geen redelijke verhouding staat tot de hoogte van de schulden van de gefailleerde. Van een redelijke verhouding is in ieder geval sprake indien de verhouding tussen het bedrag van de gevraagde garantstelling en de hoogte van de schulden 1:2 is.
2. Geen verhoging van de garantstelling wordt verstrekt indien uit de bij indiening van het verzoek tot verhoging verstrekte informatie blijkt dat het verzoek niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in het eerste lid, onder a, b, d, e en f alsmede in artikel 5.
3. In afwijking van het vorige lid kan een verhoging van de garantstelling in specifieke gevallen worden verstrekt zonder dat is voldaan aan de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, onder e, indien de curator aannemelijk kan maken dat een verhoging van het garantiebedrag ten minste zal leiden tot verwachte opbrengsten die het gevraagde garantiebedrag en de kosten van de Staat geheel zullen overschrijden.
4. De Minister kan in een uitzonderlijk geval ten behoeve van de aanpak van recidiverende faillissementsfraudeurs, in afwijking van het eerste lid, onder e, een verhouding van 1:2 tussen het gevraagde garantiebedrag en de verwachte opbrengst hanteren. De Minister stelt een jaarlijks maximumbedrag vast voor te verlenen garantstellingen die op grond van dit lid per kalenderjaar in behandeling worden genomen.
a. het verzoek, bedoeld in artikel 2, een faillissement betreft waarbij de boedel toereikend is voor het instellen van een rechtsvordering dan wel voor het doen van een verhaalsonderzoek of vooronderzoek naar de mogelijkheden daartoe;
b. het verzoek, bedoeld in artikel 2, betrekking heeft op het instellen van een rechtsvordering op een andere grond dan genoemd in artikel 2, eerste lid;
c. het verzoek, bedoeld in artikel 2, niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen bedoeld in artikel 3, eerste, tweede en vierde lid;
d. het verzoek, bedoeld in artikel 2, geen beredeneerde schatting bevat van de kosten van de in te stellen rechtsvordering dan wel voor het doen van een verhaalsonderzoek of vooronderzoek naar de mogelijkheden daartoe;
e. uit het verzoek, bedoeld in artikel 2, blijkt dat het gevraagde garantiebedrag in geen redelijke verhouding staat tot de redelijkerwijs te verwachten opbrengst die door de inspanningen van de curator kan worden verhaald. Van een redelijke verhouding is in ieder geval sprake indien de verhouding tussen de gevraagde garantstelling en de verwachte opbrengst 1:4 is.
f. uit het verzoek, bedoeld in artikel 2, blijkt dat het gevraagde garantiebedrag in geen redelijke verhouding staat tot de hoogte van de schulden van de gefailleerde. Van een redelijke verhouding is in ieder geval sprake indien de verhouding tussen het bedrag van de gevraagde garantstelling en de hoogte van de schulden 1:2 is.
2. Geen verhoging van de garantstelling wordt verstrekt indien uit de bij indiening van het verzoek tot verhoging verstrekte informatie blijkt dat het verzoek niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in het eerste lid, onder a, b, d, e en f alsmede in artikel 5.
3. In afwijking van het vorige lid kan een verhoging van de garantstelling in specifieke gevallen worden verstrekt zonder dat is voldaan aan de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, onder e, indien de curator aannemelijk kan maken dat een verhoging van het garantiebedrag ten minste zal leiden tot verwachte opbrengsten die het gevraagde garantiebedrag en de kosten van de Staat geheel zullen overschrijden.
4. De Minister kan in een uitzonderlijk geval ten behoeve van de aanpak van recidiverende faillissementsfraudeurs, in afwijking van het eerste lid, onder e, een verhouding van 1:2 tussen het gevraagde garantiebedrag en de verwachte opbrengst hanteren. De Minister stelt een jaarlijks maximumbedrag vast voor te verlenen garantstellingen die op grond van dit lid per kalenderjaar in behandeling worden genomen.