BWBR0047918
Geldig vanaf 2025-07-03
Artikel 10
Tijdelijke regeling capaciteit decentrale overheden voor klimaat- en energiebeleid
1. De minister stelt de specifieke uitkering ambtshalve overeenkomstig de verlening vast uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de minister de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, over de uitkeringsperiode van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft ontvangen, tenzij:
a. aan het doel waarvoor de specifieke uitkering is verleend, niet of niet volledig is voldaan, of
b. niet is voldaan aan de aan de specifieke uitkering verbonden verplichtingen.
2. Indien uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de specifieke uitkering niet in de in de verlening opgenomen periode volledig is besteed aan de uitvoeringsactiviteiten waarvoor deze is verstrekt, of onrechtmatig is besteed, kan de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door de Minister worden teruggevorderd. De Minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan de ontvanger van de specifieke uitkering.
3. Indien ten aanzien van het jaar 2025 gebruik wordt gemaakt van de in artikel 3, vijfde lidbepaalde mogelijkheid wordt de specifieke uitkering overeenkomstig het eerste lid uiterlijk 31 december 2028 vastgesteld.
a. aan het doel waarvoor de specifieke uitkering is verleend, niet of niet volledig is voldaan, of
b. niet is voldaan aan de aan de specifieke uitkering verbonden verplichtingen.
2. Indien uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de specifieke uitkering niet in de in de verlening opgenomen periode volledig is besteed aan de uitvoeringsactiviteiten waarvoor deze is verstrekt, of onrechtmatig is besteed, kan de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door de Minister worden teruggevorderd. De Minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan de ontvanger van de specifieke uitkering.
3. Indien ten aanzien van het jaar 2025 gebruik wordt gemaakt van de in artikel 3, vijfde lidbepaalde mogelijkheid wordt de specifieke uitkering overeenkomstig het eerste lid uiterlijk 31 december 2028 vastgesteld.