BWBR0047862
Geldig vanaf 2023-02-09
Artikel 5.3
Regeling specifieke uitkering sport en bewegen, gezondheidsbevordering, cultuurparticipatie en de sociale basis 2023–2026
1. Indien een uitkeringsplafond als bedoeld in artikel 5.1niet volledig wordt benut, kan de minister in overleg met de Minister van Financiën bepalen dat het resterende bedrag voor het betreffende onderdeel geheel of ten dele evenredig wordt uitgekeerd aan de aanvragers waaraan een uitkering voor het betreffende onderdeel is verleend.
2. Indien een uitkering die voor een bepaald jaar is toegekend voor een onderdeel als bedoeld in artikel 2.2, onder a en b, artikel 3.2, onder a tot en met k, en artikel 4.2, onder a en b, niet volledig wordt benut, kan het resterende bedrag in het betreffende jaar worden besteed aan een ander onderdeel.
3. Indien een voor een onderdeel als bedoeld in artikel 2.2, onder a en b, artikel 3.2, onder a tot en met k, en artikel 4.2, onder a en b, voor het jaar 2023 verleende uitkering niet of niet geheel in het jaar 2023 is besteed, kan het overschot tot een maximum van 20% in het jaar 2024 worden besteed aan het betreffende onderdeel.
4. Indien een voor een onderdeel als bedoeld in artikel 2.2, onder a en b, artikel 3.2, onder a tot en met k, en artikel 4.2, onder a en b, voor het jaar 2025 verleende uitkering niet of niet geheel in 2025 is besteed, kan het overschot tot een maximum van 10% in het jaar 2026 worden besteed aan hetzelfde onderdeel of aan een ander onderdeel.
2. Indien een uitkering die voor een bepaald jaar is toegekend voor een onderdeel als bedoeld in artikel 2.2, onder a en b, artikel 3.2, onder a tot en met k, en artikel 4.2, onder a en b, niet volledig wordt benut, kan het resterende bedrag in het betreffende jaar worden besteed aan een ander onderdeel.
3. Indien een voor een onderdeel als bedoeld in artikel 2.2, onder a en b, artikel 3.2, onder a tot en met k, en artikel 4.2, onder a en b, voor het jaar 2023 verleende uitkering niet of niet geheel in het jaar 2023 is besteed, kan het overschot tot een maximum van 20% in het jaar 2024 worden besteed aan het betreffende onderdeel.
4. Indien een voor een onderdeel als bedoeld in artikel 2.2, onder a en b, artikel 3.2, onder a tot en met k, en artikel 4.2, onder a en b, voor het jaar 2025 verleende uitkering niet of niet geheel in 2025 is besteed, kan het overschot tot een maximum van 10% in het jaar 2026 worden besteed aan hetzelfde onderdeel of aan een ander onderdeel.