BWBR0047743
Geldig vanaf 2023-01-03
Artikel 4
Sanctieregeling Haïti 2022
1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 2, derde, vierde en vijfde lid, 6, eerste en tweede lid, 6 bis, eerste lid, 6 ter, eerste lid, 7, eerste lid, 8, eerste lid, 9, eerste lid, en 10, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2022/2309is de Minister van Financiën voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of informatie van financiële aard, met dien verstande dat instellingen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder a, c, e tot en met j en, voor zover het een bank of elektronischgeldinstelling betreft die cryptoactivadiensten aanbiedt, l, van de Sanctiewet 1977de informatie, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2022/2309verstrekken aan De Nederlandsche Bank en instellingen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder b, d, k en, voor zover het een andere instelling betreft dan een bank of elektronischgeldinstelling die cryptoactivadiensten aanbiedt, l, van de Sanctiewet 1977 de informatie, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2022/2309verstrekken aan de Autoriteit Financiële Markten. De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten zijn ten behoeve van de uitvoering van voornoemd artikel 10 bevoegd de ontvangen informatie aan de Minister van Financiën te verstrekken.
2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 2, derde, vierde en vijfde lid, 6, eerste en tweede lid, 6 bis, eerste lid, 6 ter, eerste lid, 7, eerste lid, 8, eerste lid, en 10, eerste lid, van Verordening (EU) 2022/2309is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van economische middelen of informatie anders dan van financiële aard.
3. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 2022/2309, is de Minister van Financiën voor zover het betreft tegoeden, de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor zover het betreft vastgoed, inclusief bedrijfspanden, de Minister van Economische Zaken en Klimaat voor zover het betreft niet-beursgenoteerde ondernemingen, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor zover het betreft kunst- en cultuurobjecten en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor zover het betreft vaar- en luchtvaartuigen.
2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 2, derde, vierde en vijfde lid, 6, eerste en tweede lid, 6 bis, eerste lid, 6 ter, eerste lid, 7, eerste lid, 8, eerste lid, en 10, eerste lid, van Verordening (EU) 2022/2309is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van economische middelen of informatie anders dan van financiële aard.
3. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 2022/2309, is de Minister van Financiën voor zover het betreft tegoeden, de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor zover het betreft vastgoed, inclusief bedrijfspanden, de Minister van Economische Zaken en Klimaat voor zover het betreft niet-beursgenoteerde ondernemingen, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor zover het betreft kunst- en cultuurobjecten en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor zover het betreft vaar- en luchtvaartuigen.