BWBR0047729
Geldig vanaf 2023-01-01
Artikel 2
Instellingsbesluit Evaluatiecommissie Omgevingswet
1. Er is een Evaluatiecommissie Omgevingswet.
2. De commissie heeft tot taak:
a. de doeltreffendheid en de effecten van de Omgevingswet in de praktijk te evalueren. In het evaluatieonderzoek wordt in ieder geval aandacht besteed aan de volgende onderwerpen: i. in hoeverre de vier verbeterdoelen van de stelselherziening van het omgevingsrecht zijn gerealiseerd. De vier verbeterdoelen van de stelselherziening zijn: 1°. het vergroten van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het gebruiksgemak van het omgevingsrecht;
2°. het bewerkstelligen van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving;
3°. het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken voor het bereiken van doelen voor de fysieke leefomgeving; en
4°. het versnellen en verbeteren van besluitvorming over projecten in de fysieke leefomgeving;
1°. het vergroten van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het gebruiksgemak van het omgevingsrecht;
2°. het bewerkstelligen van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving;
3°. het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken voor het bereiken van doelen voor de fysieke leefomgeving; en
4°. het versnellen en verbeteren van besluitvorming over projecten in de fysieke leefomgeving;
ii. of het wettelijke kader van de Omgevingswet een geschikt instrumentarium biedt om de maatschappelijke doelen, bedoeld in artikel 1.3 van de Omgevingswet, te realiseren;
iii. in hoeverre de zes kerninstrumenten van de Omgevingswet toereikend zijn voor de verschillende overheidslagen om hun verschillende taken uit te voeren;
iv. in hoeverre het wettelijke kader van de Omgevingswet bijdraagt aan een adequate uitvoeringspraktijk voor burgers, bedrijven, organisaties en overheden; en
v. op welke wijze wordt vormgegeven aan de nieuwe elementen van het stelsel van het omgevingsrecht en hoeverre dit volstaat.
i. in hoeverre de vier verbeterdoelen van de stelselherziening van het omgevingsrecht zijn gerealiseerd. De vier verbeterdoelen van de stelselherziening zijn: 1°. het vergroten van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het gebruiksgemak van het omgevingsrecht;
2°. het bewerkstelligen van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving;
3°. het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken voor het bereiken van doelen voor de fysieke leefomgeving; en
4°. het versnellen en verbeteren van besluitvorming over projecten in de fysieke leefomgeving;
1°. het vergroten van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het gebruiksgemak van het omgevingsrecht;
2°. het bewerkstelligen van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving;
3°. het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken voor het bereiken van doelen voor de fysieke leefomgeving; en
4°. het versnellen en verbeteren van besluitvorming over projecten in de fysieke leefomgeving;
ii. of het wettelijke kader van de Omgevingswet een geschikt instrumentarium biedt om de maatschappelijke doelen, bedoeld in artikel 1.3 van de Omgevingswet, te realiseren;
iii. in hoeverre de zes kerninstrumenten van de Omgevingswet toereikend zijn voor de verschillende overheidslagen om hun verschillende taken uit te voeren;
iv. in hoeverre het wettelijke kader van de Omgevingswet bijdraagt aan een adequate uitvoeringspraktijk voor burgers, bedrijven, organisaties en overheden; en
v. op welke wijze wordt vormgegeven aan de nieuwe elementen van het stelsel van het omgevingsrecht en hoeverre dit volstaat.
b. te adviseren over de inrichting van de monitoring die onder de verantwoordelijkheid van de minister wordt uitgevoerd.
c. de eerste vier jaar na inwerkingtreding de Omgevingswet jaarlijks een reflectieverslag uit te brengen over de werking van het wettelijke stelsel van de Omgevingswet. Zij doet dit op basis van de door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verzamelde en ter beschikking gestelde monitoringsrapportage en op basis van eigen signalen uit de praktijk.
2. De commissie heeft tot taak:
a. de doeltreffendheid en de effecten van de Omgevingswet in de praktijk te evalueren. In het evaluatieonderzoek wordt in ieder geval aandacht besteed aan de volgende onderwerpen: i. in hoeverre de vier verbeterdoelen van de stelselherziening van het omgevingsrecht zijn gerealiseerd. De vier verbeterdoelen van de stelselherziening zijn: 1°. het vergroten van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het gebruiksgemak van het omgevingsrecht;
2°. het bewerkstelligen van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving;
3°. het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken voor het bereiken van doelen voor de fysieke leefomgeving; en
4°. het versnellen en verbeteren van besluitvorming over projecten in de fysieke leefomgeving;
1°. het vergroten van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het gebruiksgemak van het omgevingsrecht;
2°. het bewerkstelligen van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving;
3°. het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken voor het bereiken van doelen voor de fysieke leefomgeving; en
4°. het versnellen en verbeteren van besluitvorming over projecten in de fysieke leefomgeving;
ii. of het wettelijke kader van de Omgevingswet een geschikt instrumentarium biedt om de maatschappelijke doelen, bedoeld in artikel 1.3 van de Omgevingswet, te realiseren;
iii. in hoeverre de zes kerninstrumenten van de Omgevingswet toereikend zijn voor de verschillende overheidslagen om hun verschillende taken uit te voeren;
iv. in hoeverre het wettelijke kader van de Omgevingswet bijdraagt aan een adequate uitvoeringspraktijk voor burgers, bedrijven, organisaties en overheden; en
v. op welke wijze wordt vormgegeven aan de nieuwe elementen van het stelsel van het omgevingsrecht en hoeverre dit volstaat.
i. in hoeverre de vier verbeterdoelen van de stelselherziening van het omgevingsrecht zijn gerealiseerd. De vier verbeterdoelen van de stelselherziening zijn: 1°. het vergroten van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het gebruiksgemak van het omgevingsrecht;
2°. het bewerkstelligen van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving;
3°. het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken voor het bereiken van doelen voor de fysieke leefomgeving; en
4°. het versnellen en verbeteren van besluitvorming over projecten in de fysieke leefomgeving;
1°. het vergroten van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het gebruiksgemak van het omgevingsrecht;
2°. het bewerkstelligen van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving;
3°. het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken voor het bereiken van doelen voor de fysieke leefomgeving; en
4°. het versnellen en verbeteren van besluitvorming over projecten in de fysieke leefomgeving;
ii. of het wettelijke kader van de Omgevingswet een geschikt instrumentarium biedt om de maatschappelijke doelen, bedoeld in artikel 1.3 van de Omgevingswet, te realiseren;
iii. in hoeverre de zes kerninstrumenten van de Omgevingswet toereikend zijn voor de verschillende overheidslagen om hun verschillende taken uit te voeren;
iv. in hoeverre het wettelijke kader van de Omgevingswet bijdraagt aan een adequate uitvoeringspraktijk voor burgers, bedrijven, organisaties en overheden; en
v. op welke wijze wordt vormgegeven aan de nieuwe elementen van het stelsel van het omgevingsrecht en hoeverre dit volstaat.
b. te adviseren over de inrichting van de monitoring die onder de verantwoordelijkheid van de minister wordt uitgevoerd.
c. de eerste vier jaar na inwerkingtreding de Omgevingswet jaarlijks een reflectieverslag uit te brengen over de werking van het wettelijke stelsel van de Omgevingswet. Zij doet dit op basis van de door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verzamelde en ter beschikking gestelde monitoringsrapportage en op basis van eigen signalen uit de praktijk.