BWBR0047444
Geldig vanaf 2024-12-18
Artikel 6
Uitvoeringsregeling GLB 2023
1. Landbouwareaal dat ook wordt gebruikt voor niet-landbouwactiviteiten, wordt aangemerkt als overwegend voor landbouwactiviteiten gebruikt areaal indien geen sprake is van noemenswaardige hinder voor de uitoefening van landbouwactiviteiten.
2. Van de in het eerste lid bedoelde situatie is sprake indien:
a. maximaal 90 dagen in het jaar van aanvraag niet-landbouwactiviteiten plaatsvinden; en
b. het landbouwareaal na afloop van deze activiteiten weer in een staat verkeert waarin begrazing of teelt mogelijk is.
3. Van de in het eerste lid bedoelde situatie is tevens sprake indien op een landbouwareaal voor meer dan 90 dagen niet-landbouwactiviteiten plaatsvinden in het kader van contracten op basis van de subsidieregelingen ANLb of de Catalogus Groenblauwe diensten en het landbouwareaal na afloop van deze activiteiten weer in een staat verkeert waarin begrazing of teelt mogelijk is overeenkomstig artikel 3.
4. Als areaal dat overwegend voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt en daardoor voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, niet wordt beschouwd als subsidiabele hectare, wordt in elk geval aangemerkt:
a. moes- en siertuinen;
b. bermen tot een breedte van drie meter van de weg of breder voor zover de verkeersbestemming de landbouw hindert;
c. speelweides;
d. stroken grasland langs verharde landingsbanen voor vliegverkeer;
e. onverharde landingsbanen voor luchtsport en luchtvaart;
f. stroken langs gebouwen of kassen smaller dan één meter;
g. geluidswallen;
h. springweides;
i. kinderboerderijen;
j. erven;
k. areaal waarop installaties voor de benutting van zonne-energie aanwezig zijn.
5. In afwijking van het vierde lid, onderdeel k, is er sprake van subsidiabele hectare indien verspreid over het perceel maximaal 100 zonnepanelen per hectare staan die gezamenlijk een oppervlakte van maximaal 100m² beslaan.
6. De minimumoppervlakte van een perceel landbouwgrond waarvoor rechtstreekse betalingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, kunnen worden aangevraagd bedraagt afgerond 0,01 hectare.
7. In afwijking van het zesde lid komt:
a. een perceel landbouwgrond met een afgeronde oppervlakte kleiner dan 0,01 hectare voor steun in aanmerking, voor zover is voldaan aan de volgende criteria: 1°. het perceel grenst direct aan een ander perceel landbouwgrond van dezelfde landbouwer waarbij de totale oppervlakte afgerond minimaal 0,01 hectare bedraagt; en
2°. tussen de percelen bevindt zich geen afrastering of enige andere vorm van fysieke begrenzing.
1°. het perceel grenst direct aan een ander perceel landbouwgrond van dezelfde landbouwer waarbij de totale oppervlakte afgerond minimaal 0,01 hectare bedraagt; en
2°. tussen de percelen bevindt zich geen afrastering of enige andere vorm van fysieke begrenzing.
b. een perceel landbouwgrond met alleen een landschapselement met een afgeronde oppervlakte kleiner dan 0,01 hectare voor steun in aanmerking.
8. Het maximum subsidiabele areaal wordt vastgesteld per referentieperceel waarbij een marge als bedoeld in artikel 2, zevende lid, onderdeel a, van verordening (EU) 2022/1172, kan worden gehanteerd van maximaal 125 cm, rekening houdend met de omtrek en conditie van het referentieperceel.
9. Indien het verschil tussen het subsidiabele areaal en het totale areaal dat op grond van artikel 10, tweede lid, is opgegeven niet meer dan 0,1 ha bedraagt, wordt het subsidiabele areaal gelijkgesteld aan het opgegeven areaal.
2. Van de in het eerste lid bedoelde situatie is sprake indien:
a. maximaal 90 dagen in het jaar van aanvraag niet-landbouwactiviteiten plaatsvinden; en
b. het landbouwareaal na afloop van deze activiteiten weer in een staat verkeert waarin begrazing of teelt mogelijk is.
3. Van de in het eerste lid bedoelde situatie is tevens sprake indien op een landbouwareaal voor meer dan 90 dagen niet-landbouwactiviteiten plaatsvinden in het kader van contracten op basis van de subsidieregelingen ANLb of de Catalogus Groenblauwe diensten en het landbouwareaal na afloop van deze activiteiten weer in een staat verkeert waarin begrazing of teelt mogelijk is overeenkomstig artikel 3.
4. Als areaal dat overwegend voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt en daardoor voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, niet wordt beschouwd als subsidiabele hectare, wordt in elk geval aangemerkt:
a. moes- en siertuinen;
b. bermen tot een breedte van drie meter van de weg of breder voor zover de verkeersbestemming de landbouw hindert;
c. speelweides;
d. stroken grasland langs verharde landingsbanen voor vliegverkeer;
e. onverharde landingsbanen voor luchtsport en luchtvaart;
f. stroken langs gebouwen of kassen smaller dan één meter;
g. geluidswallen;
h. springweides;
i. kinderboerderijen;
j. erven;
k. areaal waarop installaties voor de benutting van zonne-energie aanwezig zijn.
5. In afwijking van het vierde lid, onderdeel k, is er sprake van subsidiabele hectare indien verspreid over het perceel maximaal 100 zonnepanelen per hectare staan die gezamenlijk een oppervlakte van maximaal 100m² beslaan.
6. De minimumoppervlakte van een perceel landbouwgrond waarvoor rechtstreekse betalingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, kunnen worden aangevraagd bedraagt afgerond 0,01 hectare.
7. In afwijking van het zesde lid komt:
a. een perceel landbouwgrond met een afgeronde oppervlakte kleiner dan 0,01 hectare voor steun in aanmerking, voor zover is voldaan aan de volgende criteria: 1°. het perceel grenst direct aan een ander perceel landbouwgrond van dezelfde landbouwer waarbij de totale oppervlakte afgerond minimaal 0,01 hectare bedraagt; en
2°. tussen de percelen bevindt zich geen afrastering of enige andere vorm van fysieke begrenzing.
1°. het perceel grenst direct aan een ander perceel landbouwgrond van dezelfde landbouwer waarbij de totale oppervlakte afgerond minimaal 0,01 hectare bedraagt; en
2°. tussen de percelen bevindt zich geen afrastering of enige andere vorm van fysieke begrenzing.
b. een perceel landbouwgrond met alleen een landschapselement met een afgeronde oppervlakte kleiner dan 0,01 hectare voor steun in aanmerking.
8. Het maximum subsidiabele areaal wordt vastgesteld per referentieperceel waarbij een marge als bedoeld in artikel 2, zevende lid, onderdeel a, van verordening (EU) 2022/1172, kan worden gehanteerd van maximaal 125 cm, rekening houdend met de omtrek en conditie van het referentieperceel.
9. Indien het verschil tussen het subsidiabele areaal en het totale areaal dat op grond van artikel 10, tweede lid, is opgegeven niet meer dan 0,1 ha bedraagt, wordt het subsidiabele areaal gelijkgesteld aan het opgegeven areaal.