BWBR0047399
Geldig vanaf 2022-11-01
Artikel 3.1
Subsidieregeling onderzoeks- en verbetercultuur funderend onderwijs 2023–2027
1. Na het pilotjaar beslist de minister over voortzetting van het verder uitvoeren van de werkwijze op 240 scholen per subsidieontvanger als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, in de onderzoeksfase.
2. Indien het in het eerste lid bedoelde besluit positief is, kan de minister aan organisaties aan wie eerder op grond van artikel 2.1, eerste lid, subsidie is verstrekt, eveneens subsidie verstrekken voor het uitvoeren van de werkwijze in de onderzoeksfase. Indien de minister negatief besluit over voortzetting van het verder uitvoeren van de werkwijze in de onderzoeksfase door een organisatie, ontvangt die organisatie geen subsidie voor de onderzoeksfase.
3. Het subsidiebedrag per organisatie bedraagt ten hoogste € 4.800.000,–. Artikel 2.1, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Indien het in het eerste lid bedoelde besluit positief is, kan de minister aan organisaties aan wie eerder op grond van artikel 2.1, eerste lid, subsidie is verstrekt, eveneens subsidie verstrekken voor het uitvoeren van de werkwijze in de onderzoeksfase. Indien de minister negatief besluit over voortzetting van het verder uitvoeren van de werkwijze in de onderzoeksfase door een organisatie, ontvangt die organisatie geen subsidie voor de onderzoeksfase.
3. Het subsidiebedrag per organisatie bedraagt ten hoogste € 4.800.000,–. Artikel 2.1, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.