BWBR0047356
Geldig vanaf 2022-10-25
Artikel 3
Instellingsbesluit Begeleidingscommissie Leerlingen- en Studentenramingen
1. De begeleidingscommissie kent maximaal 15 stemgerechtigde leden en adviserende leden.
2. De stemgerechtigde leden van de begeleidingscommissie zijn:
a. een onafhankelijk voorzitter, welke wordt benoemd door de Minister;
b. deskundigen op het gebied van ramingsmethoden en -technieken, met dien verstande dat in ieder geval lid van de begeleidingscommissie zijn één medewerker vanuit het CBS, één medewerker vanuit het CPB, één medewerker vanuit het SCP en één medewerker vanuit het PBL; en
c. vertegenwoordigers van de sectorraden van het onderwijs, met dien verstande dat in ieder geval lid zijn één medewerker vanuit de PO-Raad, één medewerker vanuit de VO-raad, één medewerker vanuit de MBO Raad, één medewerker vanuit de Vereniging Hogescholen en één medewerker vanuit UNL.
3. De Minister van Financiën heeft één vertegenwoordiger in de begeleidingscommissie als adviserend lid.
4. De Minister benoemd voorts drie vertegenwoordigers in de begeleidingscommissie, dit zijn eveneens adviserende leden. Ten minste één van deze vertegenwoordigers is werkzaam bij de Dienst Uitvoering Onderwijs.
5. De benoeming van de voorzitter geschiedt voor de duur van vier jaar.
6. Bij tussentijds vertrek van de voorzitter kan de Minister een andere voorzitter benoemen.
7. De voorzitter wordt geschorst en ontslagen door de Minister.
8. Het bepaalde in het zesde en zevende lid is van overeenkomstige toepassing op de adviserende leden van de begeleidingscommissie, bedoeld in het vierde lid, en is voorts van overeenkomstige toepassing op alle overige leden van de begeleidingscommissie, waarbij voor de Minister de betreffende vertegenwoordigde organisatie moet worden gelezen.
2. De stemgerechtigde leden van de begeleidingscommissie zijn:
a. een onafhankelijk voorzitter, welke wordt benoemd door de Minister;
b. deskundigen op het gebied van ramingsmethoden en -technieken, met dien verstande dat in ieder geval lid van de begeleidingscommissie zijn één medewerker vanuit het CBS, één medewerker vanuit het CPB, één medewerker vanuit het SCP en één medewerker vanuit het PBL; en
c. vertegenwoordigers van de sectorraden van het onderwijs, met dien verstande dat in ieder geval lid zijn één medewerker vanuit de PO-Raad, één medewerker vanuit de VO-raad, één medewerker vanuit de MBO Raad, één medewerker vanuit de Vereniging Hogescholen en één medewerker vanuit UNL.
3. De Minister van Financiën heeft één vertegenwoordiger in de begeleidingscommissie als adviserend lid.
4. De Minister benoemd voorts drie vertegenwoordigers in de begeleidingscommissie, dit zijn eveneens adviserende leden. Ten minste één van deze vertegenwoordigers is werkzaam bij de Dienst Uitvoering Onderwijs.
5. De benoeming van de voorzitter geschiedt voor de duur van vier jaar.
6. Bij tussentijds vertrek van de voorzitter kan de Minister een andere voorzitter benoemen.
7. De voorzitter wordt geschorst en ontslagen door de Minister.
8. Het bepaalde in het zesde en zevende lid is van overeenkomstige toepassing op de adviserende leden van de begeleidingscommissie, bedoeld in het vierde lid, en is voorts van overeenkomstige toepassing op alle overige leden van de begeleidingscommissie, waarbij voor de Minister de betreffende vertegenwoordigde organisatie moet worden gelezen.