BWBR0047217
Geldig vanaf 2022-10-01
Artikel 9
Regeling beveiliging treinen Kanaaltunnel
1. Een spoorwegonderneming zendt de minister jaarlijks vóór 1 december de informatie waaruit blijkt op welke wijze die spoorwegonderneming het komende kalenderjaar aan de artikelen 2 tot en met 6van deze regeling zal voldoen.
2. Een spoorwegonderneming, die voornemens is om na het tijdstip van de inwerkingtreding van deze regeling te starten met het door de Kanaaltunnel laten rijden van treinen, zendt onverminderd het bepaalde in het eerste lid de informatie, bedoeld in het eerste lid, ten minste drie maanden voor de start van de treindienst door de Kanaaltunnel aan de minister. Het bepaalde in de vorige volzin geldt ook indien een spoorwegonderneming voornemens is de frequentie van de treindienst te wijzigen.
3. Een spoorwegonderneming meldt aan de minister het voornemen om bij de uitvoering van de artikelen 2en 6wijzigingen door te voeren ten opzichte van de informatie die krachtens het eerste of tweede lid aan de minister is gezonden.
4. De minister kan naar aanleiding van de informatie, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, instructies geven aan een spoorwegonderneming met het doel om die spooronderneming te laten voldoen aan het bepaalde in de artikelen 2 tot en met 7van deze regeling.
2. Een spoorwegonderneming, die voornemens is om na het tijdstip van de inwerkingtreding van deze regeling te starten met het door de Kanaaltunnel laten rijden van treinen, zendt onverminderd het bepaalde in het eerste lid de informatie, bedoeld in het eerste lid, ten minste drie maanden voor de start van de treindienst door de Kanaaltunnel aan de minister. Het bepaalde in de vorige volzin geldt ook indien een spoorwegonderneming voornemens is de frequentie van de treindienst te wijzigen.
3. Een spoorwegonderneming meldt aan de minister het voornemen om bij de uitvoering van de artikelen 2en 6wijzigingen door te voeren ten opzichte van de informatie die krachtens het eerste of tweede lid aan de minister is gezonden.
4. De minister kan naar aanleiding van de informatie, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, instructies geven aan een spoorwegonderneming met het doel om die spooronderneming te laten voldoen aan het bepaalde in de artikelen 2 tot en met 7van deze regeling.