BWBR0046872
Geldig vanaf 2022-07-09
Artikel 6
Besluit experiment bijzondere nadere vooropleidingseisen opleiding tot leraar basisonderwijs
1. Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs die wenst deel te nemen aan het experiment, meldt dit voor 1 september 2022 aan Onze Minister.
2. De melding, bedoeld in het eerste lid, bevat:
a. de dagtekening;
b. de naam van de opleiding en de instelling die de opleiding verzorgt;
c. een deugdelijke omschrijving van de wijze waarop invulling zal worden gegeven aan het experiment, waaronder wordt verstaan het minimaal aantal malen dat en de perioden waarin de student de mogelijkheid wordt geboden aan te tonen dat hij aan de bijzondere nadere vooropleidingseisen voldoet; en
d. een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat het deel van de medezeggenschapsraad, indien aanwezig, dat uit en door de studenten is gekozen dan wel, indien het instellingsbestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, het orgaan dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin, van de wet is ingesteld, in de gelegenheid is gesteld om een advies uit te brengen over de wijze waarop invulling zal worden gegeven aan het experiment. De artikelen 10.23 en 10.26 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Indien een deelnemende instelling met ingang van het volgende studiejaar een andere invulling wenst te geven aan het experiment dan is gemeld op grond van het tweede lid, onderdeel c, meldt het instellingsbestuur dit voor aanvang van het desbetreffende studiejaar aan Onze Minister. Op deze melding zijn het tweede lid, aanhef en onderdelen c en d, van overeenkomstige toepassing.
2. De melding, bedoeld in het eerste lid, bevat:
a. de dagtekening;
b. de naam van de opleiding en de instelling die de opleiding verzorgt;
c. een deugdelijke omschrijving van de wijze waarop invulling zal worden gegeven aan het experiment, waaronder wordt verstaan het minimaal aantal malen dat en de perioden waarin de student de mogelijkheid wordt geboden aan te tonen dat hij aan de bijzondere nadere vooropleidingseisen voldoet; en
d. een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat het deel van de medezeggenschapsraad, indien aanwezig, dat uit en door de studenten is gekozen dan wel, indien het instellingsbestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, het orgaan dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin, van de wet is ingesteld, in de gelegenheid is gesteld om een advies uit te brengen over de wijze waarop invulling zal worden gegeven aan het experiment. De artikelen 10.23 en 10.26 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Indien een deelnemende instelling met ingang van het volgende studiejaar een andere invulling wenst te geven aan het experiment dan is gemeld op grond van het tweede lid, onderdeel c, meldt het instellingsbestuur dit voor aanvang van het desbetreffende studiejaar aan Onze Minister. Op deze melding zijn het tweede lid, aanhef en onderdelen c en d, van overeenkomstige toepassing.