BWBR0046618
Geldig vanaf 24-10-2026
Artikel 6a
Implementatiebesluit registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies
Als bestuursorganen en rechtspersonen met een overheidstaak, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel d van de wet, worden aangewezen:
a. Onze Minister van Financiën en Onze Ministers die het mede aangaat voor wat betreft de uitvoering van hun taak, bedoeld in artikel 22, tweede lid, onderdeel d, van Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit;
b. bestuursorganen en rechtspersonen met een overheidstaak als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur, voor zover dat noodzakelijk is in de gevallen waarin zij bevoegd zijn tot toepassing van die wet;
c. de Nederlandsche Bank N.V. voor wat betreft de beoordeling van betrouwbaarheid en geschiktheid van een persoon op grond van de Wet op het financieel toezicht of een vergelijkbare beoordeling op basis van een verordening als bedoeld in artikel 1:24, derde lid, van die wet en voor de uitvoering van haar taak op grond van artikel 25, tweede lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, artikel 106 van de Pensioenwet, artikel 110c van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en artikel 10 van de Wet toezicht trustkantoren 2018;
d. de Stichting Autoriteit Financiële Markten voor wat betreft de beoordeling van betrouwbaarheid en geschiktheid van een persoon op grond van de Wet op het financieel toezicht of een vergelijkbare beoordeling op basis van een verordening als bedoeld in artikel 1:25, derde lid, van die wet en voor de uitvoering van haar taken op grond van de artikelen 2:55, 2:60, 2:65, 2:80, 2:96 en 4:13 van de Wet op het financieel toezicht, de artikelen 6, 14, 15, 16, 18, 19, 21, 24b en 48a van de Wet toezicht accountantsorganisaties, de artikelen 2 tot en met 4 van de Wet toezicht financiële verslaggeving, artikel 8:8 van de Wet handhaving consumentenbescherming, artikelen 14 en 15 van de Verordening (EU) 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie, de artikelen 4 en 8 van de Verordening (EU) 2020/1503 van het Europees Parlement en de Raad van 7 oktober 2020 betreffende Europese crowdfundingdienstverleners voor bedrijven en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1129 en Richtlijn (EU) 2019/1937, artikel 20, eerste, tweede en vierde lid van de Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van Richtlijn 2003/71/EG en de artikelen 2, 12, 36, 37 en 38 van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/980 van de Commissie van 14 maart 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de vorm, de inhoud, de controle en de goedkeuring van het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 809/2004 van de Commissie;
e. Onze Minister van Economische Zaken voor wat betreft de uitvoering van zijn taak op grond van artikel 34, eerste en tweede lid, van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames;
f. een gerechtsdeurwaarder voor wat betreft de uitvoering van zijn taak op grond van artikel 2 van de Gerechtsdeurwaarderswet;
g. een notaris voor wat betreft de uitoefening van zijn taak op grond van artikel 2 van de Wet op het notarisambt;
h. het Bureau Financieel Toezicht voor wat betreft de uitvoering van zijn taak op grond van artikel 30 van de Gerechtsdeurwaarderswet en artikel 110, eerste lid, van de Wet op het notarisambt
i. Onze Ministers die het aangaat en de door hen aangewezen beheerautoriteiten wat betreft de uitvoering van hun taak op grond van de artikelen 69, tweede lid, en 72, eerste lid, onderdeel e, van de Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid;
j. de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie voor wat betreft de uitvoering van haar taak op grond van artikel 1 septvicies quater, eerste lid quinquies, van de Verordening (EG) 765/2006 van de Raad van 18 mei 2006 betreffende beperkende maatregelen tegen president Loekasjenko en bepaalde functionarissen van Belarus en artikel 3 terdecies, eerste lid quinquies, van de Verordening (EU) 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren;
k. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor wat betreft de uitvoering van zijn taak op grond van artikel 37, eerste lid, van de Wet financiering politieke partijen voor zover deze taak ziet op de artikelen 21, 25, 25a, 28 en 28a van de Wet financiering politieke partijen.
a. Onze Minister van Financiën en Onze Ministers die het mede aangaat voor wat betreft de uitvoering van hun taak, bedoeld in artikel 22, tweede lid, onderdeel d, van Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit;
b. bestuursorganen en rechtspersonen met een overheidstaak als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur, voor zover dat noodzakelijk is in de gevallen waarin zij bevoegd zijn tot toepassing van die wet;
c. de Nederlandsche Bank N.V. voor wat betreft de beoordeling van betrouwbaarheid en geschiktheid van een persoon op grond van de Wet op het financieel toezicht of een vergelijkbare beoordeling op basis van een verordening als bedoeld in artikel 1:24, derde lid, van die wet en voor de uitvoering van haar taak op grond van artikel 25, tweede lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, artikel 106 van de Pensioenwet, artikel 110c van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en artikel 10 van de Wet toezicht trustkantoren 2018;
d. de Stichting Autoriteit Financiële Markten voor wat betreft de beoordeling van betrouwbaarheid en geschiktheid van een persoon op grond van de Wet op het financieel toezicht of een vergelijkbare beoordeling op basis van een verordening als bedoeld in artikel 1:25, derde lid, van die wet en voor de uitvoering van haar taken op grond van de artikelen 2:55, 2:60, 2:65, 2:80, 2:96 en 4:13 van de Wet op het financieel toezicht, de artikelen 6, 14, 15, 16, 18, 19, 21, 24b en 48a van de Wet toezicht accountantsorganisaties, de artikelen 2 tot en met 4 van de Wet toezicht financiële verslaggeving, artikel 8:8 van de Wet handhaving consumentenbescherming, artikelen 14 en 15 van de Verordening (EU) 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie, de artikelen 4 en 8 van de Verordening (EU) 2020/1503 van het Europees Parlement en de Raad van 7 oktober 2020 betreffende Europese crowdfundingdienstverleners voor bedrijven en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1129 en Richtlijn (EU) 2019/1937, artikel 20, eerste, tweede en vierde lid van de Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van Richtlijn 2003/71/EG en de artikelen 2, 12, 36, 37 en 38 van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/980 van de Commissie van 14 maart 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de vorm, de inhoud, de controle en de goedkeuring van het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 809/2004 van de Commissie;
e. Onze Minister van Economische Zaken voor wat betreft de uitvoering van zijn taak op grond van artikel 34, eerste en tweede lid, van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames;
f. een gerechtsdeurwaarder voor wat betreft de uitvoering van zijn taak op grond van artikel 2 van de Gerechtsdeurwaarderswet;
g. een notaris voor wat betreft de uitoefening van zijn taak op grond van artikel 2 van de Wet op het notarisambt;
h. het Bureau Financieel Toezicht voor wat betreft de uitvoering van zijn taak op grond van artikel 30 van de Gerechtsdeurwaarderswet en artikel 110, eerste lid, van de Wet op het notarisambt
i. Onze Ministers die het aangaat en de door hen aangewezen beheerautoriteiten wat betreft de uitvoering van hun taak op grond van de artikelen 69, tweede lid, en 72, eerste lid, onderdeel e, van de Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid;
j. de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie voor wat betreft de uitvoering van haar taak op grond van artikel 1 septvicies quater, eerste lid quinquies, van de Verordening (EG) 765/2006 van de Raad van 18 mei 2006 betreffende beperkende maatregelen tegen president Loekasjenko en bepaalde functionarissen van Belarus en artikel 3 terdecies, eerste lid quinquies, van de Verordening (EU) 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren;
k. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor wat betreft de uitvoering van zijn taak op grond van artikel 37, eerste lid, van de Wet financiering politieke partijen voor zover deze taak ziet op de artikelen 21, 25, 25a, 28 en 28a van de Wet financiering politieke partijen.
- Citeren als
- Art. 6a
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0046618
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl