BWBR0046498
Geldig vanaf 02-04-2022
Artikel 5
Regeling van het Fonds Podiumkunsten voor meerjarig gesubsidieerde instellingen in het kader van de Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 februari 2022, nr. 31473255, tot wijziging van de Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19 in verband met een vijfde aanvullend steunpakket
1. De subsidie bedraagt 15 procent van de gemiddeld over de jaren 2018 en 2019 verworven eigen inkomsten van de instelling, blijkend uit de jaarrekeningen die betrekking hebben op die jaren.
2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie, voor zover het instellingen betreft waarvan de hoofdpublieksactiviteit ten hoogste een keer in de twee jaar plaatsvindt: 15 procent van de eigen inkomsten van de instelling, verworven over het jaar in de periode 2017–2019 waarin de recentste editie van die hoofdpublieksactiviteit heeft plaatsgevonden, blijkend uit de jaarrekening die betrekking heeft op dat jaar.
3. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt
a. gemaximeerd op een bedrag dat gelijk is aan 200 procent van het totaal aan structurele subsidies van bestuursorganen die aan de instelling zijn verstrekt ten behoeve van haar exploitatie in 2019; en
b. naar boven afgerond op honderd euro’s.
4. Lid 3 sub a. is niet van toepassing in het geval een instelling geen structurele subsidie heeft ontvangen van bestuursorganen ten behoeve van de exploitatie in 2019.
5. Indien het subsidieplafond door toepassing van het bepaalde in de leden 1, 2 en 3 zou worden overschreden, worden de te verlenen subsidiebedragen naar rato verlaagd tot het niveau waarbinnen het totaal beschikbare bedrag volledig kan worden benut.
2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie, voor zover het instellingen betreft waarvan de hoofdpublieksactiviteit ten hoogste een keer in de twee jaar plaatsvindt: 15 procent van de eigen inkomsten van de instelling, verworven over het jaar in de periode 2017–2019 waarin de recentste editie van die hoofdpublieksactiviteit heeft plaatsgevonden, blijkend uit de jaarrekening die betrekking heeft op dat jaar.
3. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt
a. gemaximeerd op een bedrag dat gelijk is aan 200 procent van het totaal aan structurele subsidies van bestuursorganen die aan de instelling zijn verstrekt ten behoeve van haar exploitatie in 2019; en
b. naar boven afgerond op honderd euro’s.
4. Lid 3 sub a. is niet van toepassing in het geval een instelling geen structurele subsidie heeft ontvangen van bestuursorganen ten behoeve van de exploitatie in 2019.
5. Indien het subsidieplafond door toepassing van het bepaalde in de leden 1, 2 en 3 zou worden overschreden, worden de te verlenen subsidiebedragen naar rato verlaagd tot het niveau waarbinnen het totaal beschikbare bedrag volledig kan worden benut.
- Citeren als
- Art. 5
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0046498
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl