BWBR0046225
Geldig vanaf 2022-01-22
Artikel 2
Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2022
1. Aan de inspecteur-generaal is voorbehouden: het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling betreffende de volgende aangelegenheden:
a. aangelegenheden op het gebied van personeel, financiën, organisatie en bedrijfsvoering, voor zover niet vallend onder het werkterrein van een directeur, divisiehoofd, afdelingshoofd of teamleider;
b. aangelegenheden op het werkterrein van een directeur of divisiehoofd: 1°. ten aanzien waarvan de inspecteur-generaal in een incidenteel geval mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld, of
2°. die door een directeur of divisiehoofd aan de inspecteur-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de inspecteur-generaal door een andere directeur of divisiehoofd moeten worden behandeld.
1°. ten aanzien waarvan de inspecteur-generaal in een incidenteel geval mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld, of
2°. die door een directeur of divisiehoofd aan de inspecteur-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de inspecteur-generaal door een andere directeur of divisiehoofd moeten worden behandeld.
2. Tot de in het eerste lid, onder a bedoelde aangelegenheden op het gebied van personeel behoren in elk geval:
a. het verlenen van langdurig verlof als bedoeld in paragraaf 4.6 van de CAO Rijk;
b. het opdragen van een andere functie;
c. het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden;
d. het toekennen van een hogere salarisschaal;
e. het toekennen van beloningen, anders dan genoemd in artikel 3, eerste tot en met het vijfde lid;
f. het toekennen van verplichte en onverplichte schadeloosstellingen, vergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen;
g. het treffen van orde maatregelen als bedoeld in hoofdstuk van 15, van de CAO Rijk;
h. het toekennen van een terugkeergarantie;
i. het afnemen van de eed en belofte van directeuren.
a. aangelegenheden op het gebied van personeel, financiën, organisatie en bedrijfsvoering, voor zover niet vallend onder het werkterrein van een directeur, divisiehoofd, afdelingshoofd of teamleider;
b. aangelegenheden op het werkterrein van een directeur of divisiehoofd: 1°. ten aanzien waarvan de inspecteur-generaal in een incidenteel geval mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld, of
2°. die door een directeur of divisiehoofd aan de inspecteur-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de inspecteur-generaal door een andere directeur of divisiehoofd moeten worden behandeld.
1°. ten aanzien waarvan de inspecteur-generaal in een incidenteel geval mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld, of
2°. die door een directeur of divisiehoofd aan de inspecteur-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de inspecteur-generaal door een andere directeur of divisiehoofd moeten worden behandeld.
2. Tot de in het eerste lid, onder a bedoelde aangelegenheden op het gebied van personeel behoren in elk geval:
a. het verlenen van langdurig verlof als bedoeld in paragraaf 4.6 van de CAO Rijk;
b. het opdragen van een andere functie;
c. het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden;
d. het toekennen van een hogere salarisschaal;
e. het toekennen van beloningen, anders dan genoemd in artikel 3, eerste tot en met het vijfde lid;
f. het toekennen van verplichte en onverplichte schadeloosstellingen, vergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen;
g. het treffen van orde maatregelen als bedoeld in hoofdstuk van 15, van de CAO Rijk;
h. het toekennen van een terugkeergarantie;
i. het afnemen van de eed en belofte van directeuren.