BWBR0046101
Geldig vanaf 01-01-2022
Artikel 5
Regeling Internationalisering Ontwerpsector
1. Er wordt geen subsidie verleend aan of voor:
a. instellingen die een structurele subsidierelatie hebben met de rijksoverheid, of die subsidie ontvangen op grond van de Regeling Vierjarige Instellingssubsidie Creatieve Industrie 2021-2024;
b. projecten die al door het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie zijn gesubsidieerd op basis van de Regeling Architectuur, Regeling Vormgeving of Regeling Digitale cultuur; met uitzondering van een startsubsidie;
c. projecten van aanvragers die gedurende de looptijd van het project al ondersteuning ontvangen voor het uitvoeren van hun ontwikkelplan vanuit de Regeling Talentontwikkeling Creatieve Industrie van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie;
d. projecten waarvoor op het moment van indienen al een aanvraag in behandeling is op basis van een andere subsidieregeling van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie;
e. activiteiten die al hebben plaatsgevonden of starten voor de beschikkingsdatum;
f. projecten waarbij geen sprake is van een redelijke mate van cofinanciering gegeven de opzet van het project;
g. projecten waarvoor na een geheel of gedeeltelijk afwijzend besluit door het bestuur opnieuw een aanvraag wordt ingediend, zonder dat er sprake is van door de aanvrager benoemde gewijzigde omstandigheden of nieuwe feiten;
h. projecten waarvoor al tweemaal eerder subsidie is aangevraagd en waarbij de aanvragen zijn geweigerd of negatief zijn beoordeeld;
i. aanvragen die niet op tijd worden ingediend of niet volledig zijn;
j. aanvragen die specifiek zijn gericht op een artist-in-residence-traject;
k. aanvragen voor opzichzelfstaande presentaties in het buitenland;
l. onderwijsprogramma’s;
m. Nederlandse instellingen voor hoger beroepsonderwijs of universiteiten;
n. studiereizen in het kader van een opleiding;
o. projecten die plaatsvinden in het kader van studie of opleiding;
p. projecten die een reprise of een herdruk betreffen;
q. seriële productie;
r. arbeidskosten voor medewerkers binnen dienstverband van rijks-, provinciale en gemeentelijke instellingen;
s. het verwerven van eigendommen, materialen of apparatuur die ook na afloop van het project een waarde vertegenwoordigen;
t. reguliere inrichtings-,bouw- en restauratiekosten;
u. activiteiten en kosten die direct samenhangen met het oprichten van een bedrijf of organisatie; en
v. activiteiten die de reguliere bedrijfsactiviteiten niet overstijgen.
a. instellingen die een structurele subsidierelatie hebben met de rijksoverheid, of die subsidie ontvangen op grond van de Regeling Vierjarige Instellingssubsidie Creatieve Industrie 2021-2024;
b. projecten die al door het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie zijn gesubsidieerd op basis van de Regeling Architectuur, Regeling Vormgeving of Regeling Digitale cultuur; met uitzondering van een startsubsidie;
c. projecten van aanvragers die gedurende de looptijd van het project al ondersteuning ontvangen voor het uitvoeren van hun ontwikkelplan vanuit de Regeling Talentontwikkeling Creatieve Industrie van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie;
d. projecten waarvoor op het moment van indienen al een aanvraag in behandeling is op basis van een andere subsidieregeling van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie;
e. activiteiten die al hebben plaatsgevonden of starten voor de beschikkingsdatum;
f. projecten waarbij geen sprake is van een redelijke mate van cofinanciering gegeven de opzet van het project;
g. projecten waarvoor na een geheel of gedeeltelijk afwijzend besluit door het bestuur opnieuw een aanvraag wordt ingediend, zonder dat er sprake is van door de aanvrager benoemde gewijzigde omstandigheden of nieuwe feiten;
h. projecten waarvoor al tweemaal eerder subsidie is aangevraagd en waarbij de aanvragen zijn geweigerd of negatief zijn beoordeeld;
i. aanvragen die niet op tijd worden ingediend of niet volledig zijn;
j. aanvragen die specifiek zijn gericht op een artist-in-residence-traject;
k. aanvragen voor opzichzelfstaande presentaties in het buitenland;
l. onderwijsprogramma’s;
m. Nederlandse instellingen voor hoger beroepsonderwijs of universiteiten;
n. studiereizen in het kader van een opleiding;
o. projecten die plaatsvinden in het kader van studie of opleiding;
p. projecten die een reprise of een herdruk betreffen;
q. seriële productie;
r. arbeidskosten voor medewerkers binnen dienstverband van rijks-, provinciale en gemeentelijke instellingen;
s. het verwerven van eigendommen, materialen of apparatuur die ook na afloop van het project een waarde vertegenwoordigen;
t. reguliere inrichtings-,bouw- en restauratiekosten;
u. activiteiten en kosten die direct samenhangen met het oprichten van een bedrijf of organisatie; en
v. activiteiten die de reguliere bedrijfsactiviteiten niet overstijgen.
- Citeren als
- Art. 5
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0046101
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl