BWBR0045867
Geldig vanaf 2021-11-20
Artikel 2
Instellingsbesluit Commissie Versterking kennis geschiedenis voormalig Nederlands-Indië
1. Er is een Commissie Versterking kennis geschiedenis voormalig Nederlands-Indië.
2. De commissie heeft tot taak een advies uit te brengen over hoe de kennis over de geschiedenis van voormalig Nederlands-Indië duurzaam kan worden verankerd in de Nederlandse samenleving. Daartoe gelden de volgende deelopdrachten:
2.1. Als startpunt voor het werk van de commissie is een inventarisatie uitgevoerd naar het huidige aanbod op het gebied van educatie over de geschiedenis van voormalig Nederlands-Indië (zowel binnen het reguliere onderwijssysteem als daarbuiten). Op basis van deze inventarisatie identificeert de commissie de leemtes in het aanbod en betrekt daarbij de vraag / behoeften in het veld. Vervolgens adviseert de commissie over de te nemen maatregelen om het gebruik van het huidige educatieve aanbod binnen en buiten het reguliere onderwijs te verbeteren. Daarbij richt de commissie zich ook op de vraag hoe dit aanbod op een aantrekkelijke en slimme manier toegankelijk kan worden gemaakt voor docenten en instellingen die zich bezighouden met onderwijs, culturele en museale activiteiten.
2.2. De commissie adviseert over eventueel aanvullende maatregelen die de kennis over, het inzicht in en het begrip over de geschiedenis van voormalig Nederlands-Indië kunnen vergroten. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen maatregelen gericht op educatie binnen het reguliere onderwijs (waarbij rekenschap wordt gegeven van de huidige curriculumbijstelling in het funderend onderwijs) en op educatie op andere manieren. Een belangrijk uitgangspunt is dat deze maatregelen een duurzaam karakter hebben en verschillende perspectieven waarborgen.
2.3. De commissie adviseert bij de voorgestelde maatregelen onder 2.1 en 2.2 over de wijze van implementatie, zoals het proces, de activiteiten, planning, het budget, de stakeholders, mogelijke risico’s en kansen en haalbaarheid van de maatregelen op korte en lange termijn. Tevens adviseert de commissie over de wijze van monitoring van de uitvoering.
2.4. De commissie brengt op basis van bovenstaande een adviesrapport uit voor de staatssecretaris.
2. De commissie heeft tot taak een advies uit te brengen over hoe de kennis over de geschiedenis van voormalig Nederlands-Indië duurzaam kan worden verankerd in de Nederlandse samenleving. Daartoe gelden de volgende deelopdrachten:
2.1. Als startpunt voor het werk van de commissie is een inventarisatie uitgevoerd naar het huidige aanbod op het gebied van educatie over de geschiedenis van voormalig Nederlands-Indië (zowel binnen het reguliere onderwijssysteem als daarbuiten). Op basis van deze inventarisatie identificeert de commissie de leemtes in het aanbod en betrekt daarbij de vraag / behoeften in het veld. Vervolgens adviseert de commissie over de te nemen maatregelen om het gebruik van het huidige educatieve aanbod binnen en buiten het reguliere onderwijs te verbeteren. Daarbij richt de commissie zich ook op de vraag hoe dit aanbod op een aantrekkelijke en slimme manier toegankelijk kan worden gemaakt voor docenten en instellingen die zich bezighouden met onderwijs, culturele en museale activiteiten.
2.2. De commissie adviseert over eventueel aanvullende maatregelen die de kennis over, het inzicht in en het begrip over de geschiedenis van voormalig Nederlands-Indië kunnen vergroten. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen maatregelen gericht op educatie binnen het reguliere onderwijs (waarbij rekenschap wordt gegeven van de huidige curriculumbijstelling in het funderend onderwijs) en op educatie op andere manieren. Een belangrijk uitgangspunt is dat deze maatregelen een duurzaam karakter hebben en verschillende perspectieven waarborgen.
2.3. De commissie adviseert bij de voorgestelde maatregelen onder 2.1 en 2.2 over de wijze van implementatie, zoals het proces, de activiteiten, planning, het budget, de stakeholders, mogelijke risico’s en kansen en haalbaarheid van de maatregelen op korte en lange termijn. Tevens adviseert de commissie over de wijze van monitoring van de uitvoering.
2.4. De commissie brengt op basis van bovenstaande een adviesrapport uit voor de staatssecretaris.