BWBR0045825
Geldig vanaf 01-01-2022
Artikel 5
Beleidsregel geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen
1. Tariefsoort
Voor de prestaties zoals beschreven in artikel 4.1, 4.2, 4.3, 4.5, 4.6, 4.7, 4.8 en 4.9 gelden maximumtarieven. Voor de prestaties beschreven in artikel 4.4, 4.10 en 4.11 gelden vrije tarieven.
2. Totstandkoming tarieven
De tarieven voor de prestaties zoals beschreven in artikel 4.1, 4.2, 4.3 en 4.9 zijn gebaseerd op de Beleidsregel Prestatiebeschrijvingen en tarieven modulaire zorg. In het ‘Verantwoordingsdocument Prestaties en tarieven langdurige zorg’ (d.d. 18 oktober 2018) zijn de tariefonderbouwingen nader uitgewerkt n.a.v. het kostenonderzoek langdurige zorg uit 2018.
De tarieven voor de prestaties zoals beschreven in artikel 4.1, 4.2 en 4.3 zijn als volgt opgebouwd:
– Directe personeelskosten: gemiddelde loonkosten binnen de range van FWG schalen 60-65 (4.3) en 65-75 (4.1 en 4.2);
– Productiviteit: binnen het kostenonderzoek Wet langdurige zorg (Wlz) vastgesteld op 47%;
– Indirecte kosten: opslagpercentage van 30,6%, gelijk aan de tarifering binnen de wijkverpleging.
De tarieven voor de prestaties zoals beschreven in artikel 4.5, 4.6, 4.7 en 4.8 zijn herijkt naar aanleiding van het kostenonderzoek geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen uit 2021. De onderbouwing van deze maximumtarieven staat in het ‘Verantwoordingsdocumentgzsp/Wlz-behandelprestaties (zorg in een groep en sglvg)’, dat als bijlage bij deze beleidsregel is opgenomen.
In alle tarieven is een opslag van 1,17% opgenomen voor de vergoeding van het gederfde rendement op eigen vermogen (VGREV), om de kosten voor een financiële reserve te vergoeden. Jaarlijks vindt een aanpassing (indexering) van de tarieven plaats. De wijze van indexeren is geregeld in artikel 5.4.
3. Max-maxtarieven
De maximumtarieven, berekend op basis van artikel 5.2, kunnen ten hoogste met 10% worden verhoogd indien hier een schriftelijke overeenkomst tussen de betreffende zorgaanbieder en zorgverzekeraar aan ten grondslag ligt. Met dit aanvullende maximum kunnen zorgverzekeraars en zorgaanbieders extra afspraken maken op het gebied van innovatie en kwaliteit.
Dit zogenaamde max-maxtarief kan uitsluitend in rekening worden gebracht aan (a) de zorgverzekeraar met wie het verhoogde maximumtarief is overeengekomen of (b) de verzekerde ten behoeve van wie een zorgverzekering met betrekking tot de geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen is gesloten bij een zorgverzekeraar met wie een zodanig verhoogd maximumtarief schriftelijk is overeengekomen.
Een tarief dat niet hoger is dan berekend op basis van artikel 5.2 kan aan eenieder in rekening worden gebracht.
4. Indexatie
De tarieven worden jaarlijks trendmatig aangepast voor de ontwikkeling van de loonkosten, materiële kosten en kapitaallasten.
– De loonkosten worden geïndexeerd op basis van de door het Ministerie van VWS aangegeven Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA).
– Voor de materiële kosten wordt aangesloten bij het prijsindexcijfer particuliere consumptie uit het Centraal Economisch Plan van het Centraal Planbureau (CEP).
– De kapitaallasten worden geïndexeerd op basis van de gezondheidszorgindex (voorheen: bouwkostenindex) van de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO). Deze TNO-gezondheidszorgindex vult de NZa aan met een prognose voor de ontwikkeling in de bouwkosten voor het lopende jaar. De prognose is gebaseerd op het Centraal Economisch Plan, dat uitgebracht wordt door het Centraal Plan Bureau (CBP).
– Voor de voorlopige indexaties 2022 sluit de NZa incidenteel aan op de ramingen uit de Macro Economische Verkenning van het Centraal Planbureau. Dit geldt zowel voor de personele index als de materiële index.
– De toe te passen index is het gewogen gemiddelde van de loon-, materiële- en kapitaalindices, waarbij wordt uitgegaan van de volgende verhoudingspercentages: ○ Voor de prestaties zoals beschreven in artikel 4.1, 4.2 en 4.3 wordt voor de indexatie het gewogen gemiddelde van 90% loonkosten en 10% materiële kosten toegepast.
○ Voor de prestatie zoals beschreven in artikel 4.5, 4.6, 4.7 en 4.8 zijn de verhoudingspercentages tussen loon- en materiële kosten en kapitaallasten terug te vinden in het ‘Verantwoordingsdocument gzsp/Wlz-behandelprestaties (zorg in een groep en sglvg), dat als bijlage bij deze beleidsregel is opgenomen.
○ Voor de prestatie zoals beschreven in artikel 4.9 wordt het gewogen gemiddelde van 90% loonkosten, 8% materiële kosten en 2% kapitaallasten toegepast.
○ Voor de prestaties zoals beschreven in artikel 4.1, 4.2 en 4.3 wordt voor de indexatie het gewogen gemiddelde van 90% loonkosten en 10% materiële kosten toegepast.
○ Voor de prestatie zoals beschreven in artikel 4.5, 4.6, 4.7 en 4.8 zijn de verhoudingspercentages tussen loon- en materiële kosten en kapitaallasten terug te vinden in het ‘Verantwoordingsdocument gzsp/Wlz-behandelprestaties (zorg in een groep en sglvg), dat als bijlage bij deze beleidsregel is opgenomen.
○ Voor de prestatie zoals beschreven in artikel 4.9 wordt het gewogen gemiddelde van 90% loonkosten, 8% materiële kosten en 2% kapitaallasten toegepast.
Voor de prestaties zoals beschreven in artikel 4.1, 4.2, 4.3, 4.5, 4.6, 4.7, 4.8 en 4.9 gelden maximumtarieven. Voor de prestaties beschreven in artikel 4.4, 4.10 en 4.11 gelden vrije tarieven.
2. Totstandkoming tarieven
De tarieven voor de prestaties zoals beschreven in artikel 4.1, 4.2, 4.3 en 4.9 zijn gebaseerd op de Beleidsregel Prestatiebeschrijvingen en tarieven modulaire zorg. In het ‘Verantwoordingsdocument Prestaties en tarieven langdurige zorg’ (d.d. 18 oktober 2018) zijn de tariefonderbouwingen nader uitgewerkt n.a.v. het kostenonderzoek langdurige zorg uit 2018.
De tarieven voor de prestaties zoals beschreven in artikel 4.1, 4.2 en 4.3 zijn als volgt opgebouwd:
– Directe personeelskosten: gemiddelde loonkosten binnen de range van FWG schalen 60-65 (4.3) en 65-75 (4.1 en 4.2);
– Productiviteit: binnen het kostenonderzoek Wet langdurige zorg (Wlz) vastgesteld op 47%;
– Indirecte kosten: opslagpercentage van 30,6%, gelijk aan de tarifering binnen de wijkverpleging.
De tarieven voor de prestaties zoals beschreven in artikel 4.5, 4.6, 4.7 en 4.8 zijn herijkt naar aanleiding van het kostenonderzoek geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen uit 2021. De onderbouwing van deze maximumtarieven staat in het ‘Verantwoordingsdocumentgzsp/Wlz-behandelprestaties (zorg in een groep en sglvg)’, dat als bijlage bij deze beleidsregel is opgenomen.
In alle tarieven is een opslag van 1,17% opgenomen voor de vergoeding van het gederfde rendement op eigen vermogen (VGREV), om de kosten voor een financiële reserve te vergoeden. Jaarlijks vindt een aanpassing (indexering) van de tarieven plaats. De wijze van indexeren is geregeld in artikel 5.4.
3. Max-maxtarieven
De maximumtarieven, berekend op basis van artikel 5.2, kunnen ten hoogste met 10% worden verhoogd indien hier een schriftelijke overeenkomst tussen de betreffende zorgaanbieder en zorgverzekeraar aan ten grondslag ligt. Met dit aanvullende maximum kunnen zorgverzekeraars en zorgaanbieders extra afspraken maken op het gebied van innovatie en kwaliteit.
Dit zogenaamde max-maxtarief kan uitsluitend in rekening worden gebracht aan (a) de zorgverzekeraar met wie het verhoogde maximumtarief is overeengekomen of (b) de verzekerde ten behoeve van wie een zorgverzekering met betrekking tot de geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen is gesloten bij een zorgverzekeraar met wie een zodanig verhoogd maximumtarief schriftelijk is overeengekomen.
Een tarief dat niet hoger is dan berekend op basis van artikel 5.2 kan aan eenieder in rekening worden gebracht.
4. Indexatie
De tarieven worden jaarlijks trendmatig aangepast voor de ontwikkeling van de loonkosten, materiële kosten en kapitaallasten.
– De loonkosten worden geïndexeerd op basis van de door het Ministerie van VWS aangegeven Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA).
– Voor de materiële kosten wordt aangesloten bij het prijsindexcijfer particuliere consumptie uit het Centraal Economisch Plan van het Centraal Planbureau (CEP).
– De kapitaallasten worden geïndexeerd op basis van de gezondheidszorgindex (voorheen: bouwkostenindex) van de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO). Deze TNO-gezondheidszorgindex vult de NZa aan met een prognose voor de ontwikkeling in de bouwkosten voor het lopende jaar. De prognose is gebaseerd op het Centraal Economisch Plan, dat uitgebracht wordt door het Centraal Plan Bureau (CBP).
– Voor de voorlopige indexaties 2022 sluit de NZa incidenteel aan op de ramingen uit de Macro Economische Verkenning van het Centraal Planbureau. Dit geldt zowel voor de personele index als de materiële index.
– De toe te passen index is het gewogen gemiddelde van de loon-, materiële- en kapitaalindices, waarbij wordt uitgegaan van de volgende verhoudingspercentages: ○ Voor de prestaties zoals beschreven in artikel 4.1, 4.2 en 4.3 wordt voor de indexatie het gewogen gemiddelde van 90% loonkosten en 10% materiële kosten toegepast.
○ Voor de prestatie zoals beschreven in artikel 4.5, 4.6, 4.7 en 4.8 zijn de verhoudingspercentages tussen loon- en materiële kosten en kapitaallasten terug te vinden in het ‘Verantwoordingsdocument gzsp/Wlz-behandelprestaties (zorg in een groep en sglvg), dat als bijlage bij deze beleidsregel is opgenomen.
○ Voor de prestatie zoals beschreven in artikel 4.9 wordt het gewogen gemiddelde van 90% loonkosten, 8% materiële kosten en 2% kapitaallasten toegepast.
○ Voor de prestaties zoals beschreven in artikel 4.1, 4.2 en 4.3 wordt voor de indexatie het gewogen gemiddelde van 90% loonkosten en 10% materiële kosten toegepast.
○ Voor de prestatie zoals beschreven in artikel 4.5, 4.6, 4.7 en 4.8 zijn de verhoudingspercentages tussen loon- en materiële kosten en kapitaallasten terug te vinden in het ‘Verantwoordingsdocument gzsp/Wlz-behandelprestaties (zorg in een groep en sglvg), dat als bijlage bij deze beleidsregel is opgenomen.
○ Voor de prestatie zoals beschreven in artikel 4.9 wordt het gewogen gemiddelde van 90% loonkosten, 8% materiële kosten en 2% kapitaallasten toegepast.
- Citeren als
- Art. 5
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0045825
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl