BWBR0045326
Geldig vanaf 2021-09-01
Artikel 1:6
Beleidsregels tenuitvoerlegging strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingen 2021
1. Ter vaststelling van gegrond vermoeden als bedoeld in artikel 18, tweede lid, Paspoortwet, op basis waarvan het CJIB/AICE om de weigering of vervallenverklaring van het reisdocument van een veroordeelde kan verzoeken, gaat het CJIB/AICE ten minste na of die veroordeelde niet meewerkt of eerder niet heeft meegewerkt aan de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke beslissing, en of zich één van de andere, hierna volgende indicatoren voordoen die het in samenhang met andere ter zake relevante omstandigheden aannemelijk maken dat de veroordeelde zich door verblijf buiten de grenzen van een van de landen van het Koninkrijk zal onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de in dat artikel bedoelde straffen of maatregelen:
a. de veroordeelde heeft geen of geringe sociaaleconomische binding met het Koninkrijk;
b. de veroordeelde heeft een sterke sociaaleconomische binding met een land buiten het Koninkrijk;
c. de veroordeelde heeft geen voor de tenuitvoerlegging bruikbaar verblijf- of inschrijfadres in één van de landen van het Koninkrijk;
d. andere indicatoren die een vlucht naar of verblijf in een land buiten het Koninkrijk aannemelijk maken.
2. Het CJIB/AICE verzoekt niet om opheffing van een paspoortsignalering als bedoeld in het eerste lid zo lang als het gegronde vermoeden bestaat dat de veroordeelde zich door verblijf in het buitenland aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken.
a. de veroordeelde heeft geen of geringe sociaaleconomische binding met het Koninkrijk;
b. de veroordeelde heeft een sterke sociaaleconomische binding met een land buiten het Koninkrijk;
c. de veroordeelde heeft geen voor de tenuitvoerlegging bruikbaar verblijf- of inschrijfadres in één van de landen van het Koninkrijk;
d. andere indicatoren die een vlucht naar of verblijf in een land buiten het Koninkrijk aannemelijk maken.
2. Het CJIB/AICE verzoekt niet om opheffing van een paspoortsignalering als bedoeld in het eerste lid zo lang als het gegronde vermoeden bestaat dat de veroordeelde zich door verblijf in het buitenland aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken.