BWBR0045324
Geldig vanaf 2021-09-01
Artikel 2
Regeling andere bijdragen van studenten in het hoger onderwijs
1. Het instellingsbestuur kan een bijdrage bij de aspirant-student in rekening brengen ten aanzien van de met de inschrijving verband houdende kosten voor:
a. de administratieve werkzaamheden die verband houden met het waarderen van een buitenlands diploma van de aspirant-student;
b. het toetsen van het taalniveau om te kunnen beoordelen of de aspirant-student met een buitenlands diploma voldoet aan het minimaal vereiste taalniveau; en
c. het afnemen van het toelatingsonderzoek als bedoeld in artikel 7.29 van de WHW en sufficiëntie- en deficiëntietoetsen, indien de aspirant-student niet voldoet aan de vooropleidingseisen of niet in bezit is van een diploma dat recht geeft tot toelating.
2. De op grond van het eerste lid bij de aspirant-student in rekening te brengen bijdrage is ten hoogste kostendekkend, behoudens de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, waarvoor ten hoogste € 100,– in rekening wordt gebracht.
a. de administratieve werkzaamheden die verband houden met het waarderen van een buitenlands diploma van de aspirant-student;
b. het toetsen van het taalniveau om te kunnen beoordelen of de aspirant-student met een buitenlands diploma voldoet aan het minimaal vereiste taalniveau; en
c. het afnemen van het toelatingsonderzoek als bedoeld in artikel 7.29 van de WHW en sufficiëntie- en deficiëntietoetsen, indien de aspirant-student niet voldoet aan de vooropleidingseisen of niet in bezit is van een diploma dat recht geeft tot toelating.
2. De op grond van het eerste lid bij de aspirant-student in rekening te brengen bijdrage is ten hoogste kostendekkend, behoudens de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, waarvoor ten hoogste € 100,– in rekening wordt gebracht.