BWBR0045301
Geldig vanaf 2021-09-01
Artikel 9
Subsidieregeling virtuele internationale samenwerkingsprojecten hoger onderwijs
1. Aan de subsidieontvanger worden de volgende verplichtingen opgelegd:
a. het virtuele internationale samenwerkingsproject start zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes maanden na het besluit tot subsidieverstrekking;
b. de activiteiten zijn uiterlijk binnen achttien maanden na het besluit tot subsidieverstrekking afgerond;
c. de subsidieontvanger verleent gedurende de looptijd van de activiteiten of tot één jaar na afloop daarvan op verzoek van de minister medewerking aan kennisdelingsactiviteiten rondom virtuele internationale samenwerkingsprojecten;
d. de subsidieontvanger verleent medewerking aan een onderzoek van de minister naar de leeruitkomsten van virtuele internationale samenwerkingsprojecten.
2. De subsidieontvanger meldt onverwijld schriftelijk aan de minister indien:
a. aannemelijk is geworden dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht;
b. aannemelijk is geworden dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de subsidieverplichtingen zal worden voldaan; of
c. zich andere omstandigheden voordoen of zullen voordoen die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie.
3. De melding bedoeld in het tweede lid wordt voorzien van een toelichting. Bij de melding worden de relevante stukken overgelegd.
a. het virtuele internationale samenwerkingsproject start zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes maanden na het besluit tot subsidieverstrekking;
b. de activiteiten zijn uiterlijk binnen achttien maanden na het besluit tot subsidieverstrekking afgerond;
c. de subsidieontvanger verleent gedurende de looptijd van de activiteiten of tot één jaar na afloop daarvan op verzoek van de minister medewerking aan kennisdelingsactiviteiten rondom virtuele internationale samenwerkingsprojecten;
d. de subsidieontvanger verleent medewerking aan een onderzoek van de minister naar de leeruitkomsten van virtuele internationale samenwerkingsprojecten.
2. De subsidieontvanger meldt onverwijld schriftelijk aan de minister indien:
a. aannemelijk is geworden dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht;
b. aannemelijk is geworden dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de subsidieverplichtingen zal worden voldaan; of
c. zich andere omstandigheden voordoen of zullen voordoen die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie.
3. De melding bedoeld in het tweede lid wordt voorzien van een toelichting. Bij de melding worden de relevante stukken overgelegd.