BWBR0045239
Geldig vanaf 2021-06-17
Artikel 3
Instellingsregeling Commissie van onafhankelijke deskundigen hersteloperatie toeslagen
1. Er is een Commissie van onafhankelijke deskundigen hersteloperatie toeslagen.
2. De commissie heeft tot taak:
a. het beoordelen van voorgenomen beschikkingen inhoudende het geheel of gedeeltelijk afwijzen van een aanvraag van compensatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet;
b. het beoordelen van voorgenomen beschikkingen inhoudende het geheel of gedeeltelijk afwijzen van een aanvraag van een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, van de wet;
c. het adviseren over de vraag of sprake is van een schrijnend geval als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, van de wet;
d. het beoordelen van voorgenomen beschikkingen inhoudende het geheel of gedeeltelijk afwijzen van een aanvraag tot toekenning van een voorziening als bedoeld in artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2°, of artikel 2.9b, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2°, van de wet, indien die aanvraag ziet op compensatie of een O/GS-tegemoetkoming die niet eerder op aanvraag van de aanvrager van kinderopvangtoeslag die is overleden door de Dienst Toeslagen is toegekend of afgewezen;
e. het beoordelen van voorgenomen beschikkingen inhoudende het afwijzen van een aanvraag tot toekenning van een tegemoetkoming op grond van artikel 2.14 van de wet, indien de Dienst Toeslagen voornemens is te oordelen dat geen sprake is van een overleden aanvrager;
f. het beoordelen van voorgenomen beschikkingen inhoudende het afwijzen van een aanvraag tot toekenning van compensatie als bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, van de wet voor zover een beroep wordt gedaan op artikel 2.14g, tweede lid, van de wet, indien de Dienst Toeslagen voornemens is te oordelen dat geen sprake is van een overleden aanvrager;
g. het rapporteren van haar bevindingen aan de Dienst Toeslagen.
3. De commissie geeft geen beoordeling als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a of b, indien er over de feiten geen verschil van mening is tussen de Dienst Toeslagen en de belanghebbende, tenzij:
a. de kinderopvangtoeslag is uitbetaald aan een andere persoon dan de belanghebbende; of
b. er een bestuurlijke boete is opgelegd aan de belanghebbende.
4. De commissie is bevoegd gedurende het onderzoek aanvullende vragen te formuleren en deze te onderzoeken en beantwoorden, indien zij dat dienstig acht aan haar opdracht.
2. De commissie heeft tot taak:
a. het beoordelen van voorgenomen beschikkingen inhoudende het geheel of gedeeltelijk afwijzen van een aanvraag van compensatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet;
b. het beoordelen van voorgenomen beschikkingen inhoudende het geheel of gedeeltelijk afwijzen van een aanvraag van een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, van de wet;
c. het adviseren over de vraag of sprake is van een schrijnend geval als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, van de wet;
d. het beoordelen van voorgenomen beschikkingen inhoudende het geheel of gedeeltelijk afwijzen van een aanvraag tot toekenning van een voorziening als bedoeld in artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2°, of artikel 2.9b, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2°, van de wet, indien die aanvraag ziet op compensatie of een O/GS-tegemoetkoming die niet eerder op aanvraag van de aanvrager van kinderopvangtoeslag die is overleden door de Dienst Toeslagen is toegekend of afgewezen;
e. het beoordelen van voorgenomen beschikkingen inhoudende het afwijzen van een aanvraag tot toekenning van een tegemoetkoming op grond van artikel 2.14 van de wet, indien de Dienst Toeslagen voornemens is te oordelen dat geen sprake is van een overleden aanvrager;
f. het beoordelen van voorgenomen beschikkingen inhoudende het afwijzen van een aanvraag tot toekenning van compensatie als bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, van de wet voor zover een beroep wordt gedaan op artikel 2.14g, tweede lid, van de wet, indien de Dienst Toeslagen voornemens is te oordelen dat geen sprake is van een overleden aanvrager;
g. het rapporteren van haar bevindingen aan de Dienst Toeslagen.
3. De commissie geeft geen beoordeling als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a of b, indien er over de feiten geen verschil van mening is tussen de Dienst Toeslagen en de belanghebbende, tenzij:
a. de kinderopvangtoeslag is uitbetaald aan een andere persoon dan de belanghebbende; of
b. er een bestuurlijke boete is opgelegd aan de belanghebbende.
4. De commissie is bevoegd gedurende het onderzoek aanvullende vragen te formuleren en deze te onderzoeken en beantwoorden, indien zij dat dienstig acht aan haar opdracht.