BWBR0045147
Geldig vanaf 20-05-2021
Artikel 3:1a
Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs en de Expertisecentra 2020–2021
Het schoolbestuur komt in aanmerking voor vrijstelling van de toets behorende bij een vergoedingsverzoek, indien is voldaan aan het bepaalde in lid 1 tot en met 3. Het gevolg daarvan is dat het Participatiefonds de werkloosheidskosten die uit de beëindiging van dit dienstverband voortvloeien, voor rekening neemt.
1. Er wordt vrijstelling verleend als de werknemer: a. minimaal zes maanden en maximaal twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest bij het schoolbestuur dat een beroep doet op de vrijstelling; en
b. direct voorafgaand aan het in dienst treden bij het schoolbestuur minimaal meer dan acht weken recht heeft gehad op een werkloosheidsuitkering vanuit het PO zoals bedoeld in artikel 138, lid 2, van de Wpo dan wel artikel 132, lid 2, van de Wec.
a. minimaal zes maanden en maximaal twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest bij het schoolbestuur dat een beroep doet op de vrijstelling; en
b. direct voorafgaand aan het in dienst treden bij het schoolbestuur minimaal meer dan acht weken recht heeft gehad op een werkloosheidsuitkering vanuit het PO zoals bedoeld in artikel 138, lid 2, van de Wpo dan wel artikel 132, lid 2, van de Wec.
2. Ondanks het bepaalde in lid 1 wordt er geen vrijstelling verleend aan de werkgever: a. die een werknemer in dienst neemt die direct voorafgaand aan het ontstaan van het recht op uitkering, genoemd onder b, reeds in dienst was bij hetzelfde schoolbestuur of diens rechtsvoorganger; en
b. door UWV voor die werkloosheidsuitkering verantwoordelijk is gesteld.
a. die een werknemer in dienst neemt die direct voorafgaand aan het ontstaan van het recht op uitkering, genoemd onder b, reeds in dienst was bij hetzelfde schoolbestuur of diens rechtsvoorganger; en
b. door UWV voor die werkloosheidsuitkering verantwoordelijk is gesteld.
3. Om in aanmerking te komen voor de vrijstelling legt de werkgever de volgende documenten over: a. de door de werknemer ondertekende ‘verklaring uitkeringsverleden’;
b. een afschrift van de arbeidsovereenkomst waaruit de datum indiensttreding blijkt;
c. een document waaruit de datum van het ontslag als bedoeld in het eerste lid blijkt.
a. de door de werknemer ondertekende ‘verklaring uitkeringsverleden’;
b. een afschrift van de arbeidsovereenkomst waaruit de datum indiensttreding blijkt;
c. een document waaruit de datum van het ontslag als bedoeld in het eerste lid blijkt.
1. Er wordt vrijstelling verleend als de werknemer: a. minimaal zes maanden en maximaal twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest bij het schoolbestuur dat een beroep doet op de vrijstelling; en
b. direct voorafgaand aan het in dienst treden bij het schoolbestuur minimaal meer dan acht weken recht heeft gehad op een werkloosheidsuitkering vanuit het PO zoals bedoeld in artikel 138, lid 2, van de Wpo dan wel artikel 132, lid 2, van de Wec.
a. minimaal zes maanden en maximaal twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest bij het schoolbestuur dat een beroep doet op de vrijstelling; en
b. direct voorafgaand aan het in dienst treden bij het schoolbestuur minimaal meer dan acht weken recht heeft gehad op een werkloosheidsuitkering vanuit het PO zoals bedoeld in artikel 138, lid 2, van de Wpo dan wel artikel 132, lid 2, van de Wec.
2. Ondanks het bepaalde in lid 1 wordt er geen vrijstelling verleend aan de werkgever: a. die een werknemer in dienst neemt die direct voorafgaand aan het ontstaan van het recht op uitkering, genoemd onder b, reeds in dienst was bij hetzelfde schoolbestuur of diens rechtsvoorganger; en
b. door UWV voor die werkloosheidsuitkering verantwoordelijk is gesteld.
a. die een werknemer in dienst neemt die direct voorafgaand aan het ontstaan van het recht op uitkering, genoemd onder b, reeds in dienst was bij hetzelfde schoolbestuur of diens rechtsvoorganger; en
b. door UWV voor die werkloosheidsuitkering verantwoordelijk is gesteld.
3. Om in aanmerking te komen voor de vrijstelling legt de werkgever de volgende documenten over: a. de door de werknemer ondertekende ‘verklaring uitkeringsverleden’;
b. een afschrift van de arbeidsovereenkomst waaruit de datum indiensttreding blijkt;
c. een document waaruit de datum van het ontslag als bedoeld in het eerste lid blijkt.
a. de door de werknemer ondertekende ‘verklaring uitkeringsverleden’;
b. een afschrift van de arbeidsovereenkomst waaruit de datum indiensttreding blijkt;
c. een document waaruit de datum van het ontslag als bedoeld in het eerste lid blijkt.
- Citeren als
- Art. 3:1a
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0045147
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl