Artikel 1
1. Gedurende het jaar 2021 is de opsporingsambtenaar, als bedoeld in artikel 1, onder a van de Regeling toetsing geweldsbeheersing buitengewoon opsporingsambtenaar en ambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten, voor de duur van dat kalenderjaar geoefend in het gebruik van de in artikel 2, eerste lid, van die regelingbedoelde bevoegdheden dan wel van het in artikel 2, eerste lid, van die regeling bedoelde geweldsmiddel, indien hij de toets geweldsbeheersing en de toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden in het jaar 2019 met voldoende resultaat heeft afgelegd.
2. Het vorige lid geldt niet indien de opsporingsambtenaar in het jaar 2020 de hiervoor bedoelde toets met onvoldoende resultaat heeft afgelegd.
2. Het vorige lid geldt niet indien de opsporingsambtenaar in het jaar 2020 de hiervoor bedoelde toets met onvoldoende resultaat heeft afgelegd.