BWBR0021973
Geldig vanaf 2007-06-01
Artikel 2
Regeling toetsing geweldsbeheersing buitengewoon opsporingsambtenaar en ambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten
1. Een opsporingsambtenaar is steeds voor de duur van een kalenderjaar geoefend in het gebruik van de bevoegdheden, genoemd in artikel 7, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012, onderscheidenlijk artikel 6, eerste en derde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, dan wel een geweldsmiddel als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Ambtsinstructie, indien hij in het daaraan voorafgaande kalenderjaar met voldoende resultaat heeft afgelegd:
1°. de toets geweldsbeheersing, en
2°. de toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden.
2. Een opsporingsambtenaar is steeds voor de duur van een kalenderhalfjaar geoefend in het gebruik van een vuurwapen, indien hij, naast de in het eerste lid bedoelde toetsen, in het daaraan voorafgaande kalenderhalfjaar de toets schietvaardigheid met voldoende resultaat heeft afgelegd.
3. Onverminderd het eerste en tweede lid, wordt de opsporingsambtenaar van wie een geweldsmiddel op grond van het vierde lid is ingenomen, voor de resterende duur van het lopende kalenderjaar of kalenderhalfjaar, geacht wederom geoefend te zijn in het gebruik van dat geweldsmiddel, vanaf het moment dat hij de toetsen die hij niet of niet met voldoende resultaat had afgelegd, alsnog met voldoende resultaat heeft afgelegd.
4. De werkgever draagt er, in overeenstemming met de direct toezichthouder, zorg voor dat de opsporingsambtenaar slechts gebruik maakt van de bevoegdheden genoemd in artikel 7, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012, dan wel de bevoegdheden genoemd in artikel 6, eerste en derde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, indien hij geoefend is in de toepassing van deze bevoegdheden. Indien een opsporingsambtenaar op de laatste dag van een kalenderjaar de in het eerste lid bedoelde toetsen nog niet of niet met voldoende resultaat heeft afgelegd, is de opsporingsambtenaar niet bevoegd gebruik te maken van voornoemde bevoegdheden.
5. De direct toezichthouder draagt er, in overeenstemming met de werkgever, zorg voor dat de opsporingsambtenaar slechts over een geweldsmiddel beschikt, anders dan voor het vervoer en het gebruik ervan voor het volgen van onderwijs, indien hij geoefend is in het gebruik van dat geweldsmiddel. Indien een opsporingsambtenaar op de laatste dag van een kalenderjaar of kalenderhalfjaar de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde toetsen nog niet of niet met voldoende resultaat heeft afgelegd, wordt het geweldsmiddel in het gebruik waarvan hij dientengevolge niet langer is geoefend, door de direct toezichthouder ingenomen.
6. Indien buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan de Minister van Justitie en Veiligheid besluiten dat, in afwijking van het eerste lid, de opsporingsambtenaar voor de duur van een kalenderjaar geoefend is in het gebruik van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden en geweldsmiddelen, indien hij de toets geweldsbeheersing en de toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar met voldoende resultaat heeft afgelegd.
1°. de toets geweldsbeheersing, en
2°. de toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden.
2. Een opsporingsambtenaar is steeds voor de duur van een kalenderhalfjaar geoefend in het gebruik van een vuurwapen, indien hij, naast de in het eerste lid bedoelde toetsen, in het daaraan voorafgaande kalenderhalfjaar de toets schietvaardigheid met voldoende resultaat heeft afgelegd.
3. Onverminderd het eerste en tweede lid, wordt de opsporingsambtenaar van wie een geweldsmiddel op grond van het vierde lid is ingenomen, voor de resterende duur van het lopende kalenderjaar of kalenderhalfjaar, geacht wederom geoefend te zijn in het gebruik van dat geweldsmiddel, vanaf het moment dat hij de toetsen die hij niet of niet met voldoende resultaat had afgelegd, alsnog met voldoende resultaat heeft afgelegd.
4. De werkgever draagt er, in overeenstemming met de direct toezichthouder, zorg voor dat de opsporingsambtenaar slechts gebruik maakt van de bevoegdheden genoemd in artikel 7, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012, dan wel de bevoegdheden genoemd in artikel 6, eerste en derde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, indien hij geoefend is in de toepassing van deze bevoegdheden. Indien een opsporingsambtenaar op de laatste dag van een kalenderjaar de in het eerste lid bedoelde toetsen nog niet of niet met voldoende resultaat heeft afgelegd, is de opsporingsambtenaar niet bevoegd gebruik te maken van voornoemde bevoegdheden.
5. De direct toezichthouder draagt er, in overeenstemming met de werkgever, zorg voor dat de opsporingsambtenaar slechts over een geweldsmiddel beschikt, anders dan voor het vervoer en het gebruik ervan voor het volgen van onderwijs, indien hij geoefend is in het gebruik van dat geweldsmiddel. Indien een opsporingsambtenaar op de laatste dag van een kalenderjaar of kalenderhalfjaar de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde toetsen nog niet of niet met voldoende resultaat heeft afgelegd, wordt het geweldsmiddel in het gebruik waarvan hij dientengevolge niet langer is geoefend, door de direct toezichthouder ingenomen.
6. Indien buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan de Minister van Justitie en Veiligheid besluiten dat, in afwijking van het eerste lid, de opsporingsambtenaar voor de duur van een kalenderjaar geoefend is in het gebruik van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden en geweldsmiddelen, indien hij de toets geweldsbeheersing en de toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar met voldoende resultaat heeft afgelegd.