1. De aanspraak op bekostiging voor materiële instandhouding op grond van
Hoofdstuk I, Titel IV, Afdeling 4, van de Wet op het primair onderwijs, Hoofdstuk I, Titel III, Afdeling 4, van de Wet op de expertisecentraen
Hoofdstuk I, Titel III, Afdeling 4, van de Wet primair onderwijs BES, zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van deze wet, blijft van kracht tot en met 31 december van het jaar van inwerkingtreding van deze wet.
2. De aanspraak op bekostiging op grond van de
artikelen 120,
129en
132 van de Wet op het primair onderwijs, de
artikelen 117en
124 van de Wet op de expertisecentra, de
artikelen 101en
110 van de Wet primair onderwijs BESen artikel
85d van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepalingen luidden op de dag voor inwerkingtreding van dit artikel, blijft van kracht tot en met 31 juli van het jaar van inwerkingtreding van deze wet.
3. Voor de periode van 1 augustus tot en met 31 december volgend op de inwerkingtreding van deze wet wordt de aanspraak op personele bekostiging berekend op grond van het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 120,
129en
132 van de Wet op het primair onderwijs, de
artikelen 117en
124 van de Wet op de expertisecentra, de
artikelen 101en
110 van de Wet primair onderwijs BES, en
artikel 85d van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepalingen luidden op de dag voor inwerkingtreding van deze wet.
4. De
artikelen 124en
125b van de Wet op het primair onderwijsen
artikel 85d van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals deze luidden op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet blijven van toepassing op overdracht van de bekostiging, bedoeld in het tweede en derde lid.
5. Bij ministeriële regeling worden de bedragen vastgesteld waarop de aanspraak, bedoeld in het tweede en derde lid, betrekking heeft.
6. Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2026.