BWBR0044977
Geldig vanaf 2021-03-27
Artikel 4
(Onder)Mandaatbesluit Politie beheer RST 2021
1. Aan de teamchef RST wordt (onder)mandaat verleend ten aanzien van aangelegenheden die behoren tot zijn werkterrein en de daarbij behorende budgetverantwoordelijkheid, met inachtneming van hetgeen is bepaald in het Mandaatbesluit beheer RST en het bepaalde in onderhavig mandaatbesluit.
2. Ten aanzien medewerkers van het RST die zijn aangesteld bij de politie wordt met het oog op het op grond van het eerste lid uitoefenen van personele bevoegdheden aan de teamchef RST mandaat verleend voor het nemen van besluiten die betrekking hebben op:
– de diensttijd (hoofdstuk III Barp);
– het (vakantie)verlof (hoofdstuk IV en VI Barp);
– het functioneren en de beoordeling (art. 71 Barp);
– een tevredenheidsbetuiging, extra verlof of gratificatie (art. 74 tweede lid onder a t/m c);
– een functionerings- of een waarnemingstoelage, tijdens en maximaal voor de duur van de periode van terbeschikkingstelling (artt 16 en 17 Bbp);
– een ordemaatregel (artt. 73, 84 en 85 Barp) of een betrouwbaarheidsonderzoek (art. 8b Barp);
– een studiefaciliteit (art. 58 Barp);
– een verplaatsing in het belang van de dienst (art. 64 Barp);
– regels omtrent goed ambtelijk handelen (§ 1 van hoofdstuk VII.a Barp);
– de vaststelling van een dienstongeval of beroepsziekte (art. 54 Barp); en
– besluiten in geval van ziekte minder dan 6 maanden (§ 1 van hoofdstuk VII Barp); e.e.a. zoals tevens is opgenomen in de individuele terbeschikkingstellingsovereenkomst.
3. Ten aanzien medewerkers van het RST die zijn aangesteld bij de politie wordt met het oog op het op grond van het eerste lid uitoefenen van personele bevoegdheden door de teamchef RST uitgezonderd besluiten die zijn voorbehouden aan korpschef, leden korpsleiding, politiechef en directeuren als bedoeld in het Mandaatbesluit politie.
4. De teamchef RST is bevoegd om binnen de grenzen van de vastgestelde formatie en het vastgestelde budget van het RST op te treden als opdrachtgever richting het PDC voor de levering van producten en diensten. In gevallen waarin dienstverlening aan het RST vanuit het PDC praktisch niet mogelijk is of onevenredig bezwarend in tijd of geld, is de teamchef RST binnen de reikwijdte van zijn budget en het bepaalde in het eerste lid ter plaatse bevoegd overeenkomsten te sluiten.
5. De teamchef RST oefent het mandaat waar mogelijk uit binnen het binnen de politie geldende beleid. Indien onverkorte toepassing van dat beleid ertoe leidt dat de RST zijn wettelijke taken niet naar behoren kan uitvoeren, kan de teamchef RST, met instemming van de korpschef, besluiten tot afwijking van het beleid in individuele gevallen.
6. Besluiten die op basis van het eerste en tweede lid door de teamchef RST worden genomen, worden als volgt ondertekend:
‘De korpschef van politie,
namens deze de teamchef RST,
[handtekening]
[naam]’
2. Ten aanzien medewerkers van het RST die zijn aangesteld bij de politie wordt met het oog op het op grond van het eerste lid uitoefenen van personele bevoegdheden aan de teamchef RST mandaat verleend voor het nemen van besluiten die betrekking hebben op:
– de diensttijd (hoofdstuk III Barp);
– het (vakantie)verlof (hoofdstuk IV en VI Barp);
– het functioneren en de beoordeling (art. 71 Barp);
– een tevredenheidsbetuiging, extra verlof of gratificatie (art. 74 tweede lid onder a t/m c);
– een functionerings- of een waarnemingstoelage, tijdens en maximaal voor de duur van de periode van terbeschikkingstelling (artt 16 en 17 Bbp);
– een ordemaatregel (artt. 73, 84 en 85 Barp) of een betrouwbaarheidsonderzoek (art. 8b Barp);
– een studiefaciliteit (art. 58 Barp);
– een verplaatsing in het belang van de dienst (art. 64 Barp);
– regels omtrent goed ambtelijk handelen (§ 1 van hoofdstuk VII.a Barp);
– de vaststelling van een dienstongeval of beroepsziekte (art. 54 Barp); en
– besluiten in geval van ziekte minder dan 6 maanden (§ 1 van hoofdstuk VII Barp); e.e.a. zoals tevens is opgenomen in de individuele terbeschikkingstellingsovereenkomst.
3. Ten aanzien medewerkers van het RST die zijn aangesteld bij de politie wordt met het oog op het op grond van het eerste lid uitoefenen van personele bevoegdheden door de teamchef RST uitgezonderd besluiten die zijn voorbehouden aan korpschef, leden korpsleiding, politiechef en directeuren als bedoeld in het Mandaatbesluit politie.
4. De teamchef RST is bevoegd om binnen de grenzen van de vastgestelde formatie en het vastgestelde budget van het RST op te treden als opdrachtgever richting het PDC voor de levering van producten en diensten. In gevallen waarin dienstverlening aan het RST vanuit het PDC praktisch niet mogelijk is of onevenredig bezwarend in tijd of geld, is de teamchef RST binnen de reikwijdte van zijn budget en het bepaalde in het eerste lid ter plaatse bevoegd overeenkomsten te sluiten.
5. De teamchef RST oefent het mandaat waar mogelijk uit binnen het binnen de politie geldende beleid. Indien onverkorte toepassing van dat beleid ertoe leidt dat de RST zijn wettelijke taken niet naar behoren kan uitvoeren, kan de teamchef RST, met instemming van de korpschef, besluiten tot afwijking van het beleid in individuele gevallen.
6. Besluiten die op basis van het eerste en tweede lid door de teamchef RST worden genomen, worden als volgt ondertekend:
‘De korpschef van politie,
namens deze de teamchef RST,
[handtekening]
[naam]’