BWBR0044937
Geldig vanaf 2021-04-01
Artikel 8
Subsidieregeling restauratie klinkend erfgoed
1. Voor zover voor de restauratiewerkzaamheden een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtof, als de Omgevingswetin werking is getreden, artikel 5.1, eerste lid, onder b, van de Omgevingswet, is vereist, vangen de restauratiewerkzaamheden niet aan zonder of in afwijking van de omgevingsvergunning.
2. De subsidieontvanger start binnen twee jaar na de subsidieverlening met de uitvoering van de restauratiewerkzaamheden, anders dan die ter voorbereiding van de aanvraag als bedoeld in artikel 4, tweede lid, en doet hiervan binnen twee weken na aanvang schriftelijk melding aan de minister.
3. Onverminderd het eerste en tweede lid kan de minister een eigenaar bij de subsidieverlening verplichten om:
a. mee te werken aan een onderzoek naar de bouw- of ontstaansgeschiedenis van het klinkend onderdeel;
b. restauratiewerkzaamheden uit te voeren volgens in de beroepsgroep geldende normen;
c. advies te vragen aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed alvorens met de voorgenomen restauratiewerkzaamheden wordt gestart, voor zover de monumentale waarde van het rijksmonument of de restauratiewerkzaamheden daartoe aanleiding vormen;
d. de restauratiewerkzaamheden onder nader door de minister te stellen voorwaarden te doen begeleiden, indien voor de uitvoering van de restauratiewerkzaamheden specifieke kennis is vereist;
e. voor de duur van de restauratiewerkzaamheden een construction all risks-verzekering af te sluiten;
f. in geval van een beiaard of orgel: vanaf de aanvang van de restauratiewerkzaamheden op eigen kosten het klinkend onderdeel en de zelfstandige bouwkundige eenheid waar het deel van uitmaakt te verzekeren dan wel verzekerd te houden tegen brand-, storm- en bliksemschade en na afloop van de werkzaamheden daartegen verzekerd te houden;
g. de restauratie te laten uitvoeren door een erkend leerbedrijf; of
h. het klinkend onderdeel na afloop van de restauratiewerkzaamheden te onderhouden in de staat waarin het door de restauratiewerkzaamheden is gebracht.
2. De subsidieontvanger start binnen twee jaar na de subsidieverlening met de uitvoering van de restauratiewerkzaamheden, anders dan die ter voorbereiding van de aanvraag als bedoeld in artikel 4, tweede lid, en doet hiervan binnen twee weken na aanvang schriftelijk melding aan de minister.
3. Onverminderd het eerste en tweede lid kan de minister een eigenaar bij de subsidieverlening verplichten om:
a. mee te werken aan een onderzoek naar de bouw- of ontstaansgeschiedenis van het klinkend onderdeel;
b. restauratiewerkzaamheden uit te voeren volgens in de beroepsgroep geldende normen;
c. advies te vragen aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed alvorens met de voorgenomen restauratiewerkzaamheden wordt gestart, voor zover de monumentale waarde van het rijksmonument of de restauratiewerkzaamheden daartoe aanleiding vormen;
d. de restauratiewerkzaamheden onder nader door de minister te stellen voorwaarden te doen begeleiden, indien voor de uitvoering van de restauratiewerkzaamheden specifieke kennis is vereist;
e. voor de duur van de restauratiewerkzaamheden een construction all risks-verzekering af te sluiten;
f. in geval van een beiaard of orgel: vanaf de aanvang van de restauratiewerkzaamheden op eigen kosten het klinkend onderdeel en de zelfstandige bouwkundige eenheid waar het deel van uitmaakt te verzekeren dan wel verzekerd te houden tegen brand-, storm- en bliksemschade en na afloop van de werkzaamheden daartegen verzekerd te houden;
g. de restauratie te laten uitvoeren door een erkend leerbedrijf; of
h. het klinkend onderdeel na afloop van de restauratiewerkzaamheden te onderhouden in de staat waarin het door de restauratiewerkzaamheden is gebracht.