BWBR0044505
Geldig vanaf 2020-12-10
Artikel 14
Regeling maatregelen laagpathogene vogelgriep Den Bommel 2020
1. Een houder van commercieel gehouden gevogelte brengt ten minste afscheidingen aan tussen gevogelte en andere dieren die in de inrichting aanwezig zijn.
2. Een houder als bedoeld in het eerste lid neemt passende maatregelen om zo veel mogelijk te voorkomen dat het gevogelte in contact komt met gevogelte van een andere houder of met in het wild levende dieren of hun uitwerpselen.
3. Een passende maatregel als bedoeld in het tweede lid is voor een houder van commercieel gehouden gevogelte, met uitzondering van gevogelte, behorende tot de fazanten (Phasianidae), en de familie van struisvogels (Struthionidae), emoes (Dromaiidae) en nandoes (Rheidae), ten minste het binnen een gebouw brengen en daar houden van het gevogelte.
2. Een houder als bedoeld in het eerste lid neemt passende maatregelen om zo veel mogelijk te voorkomen dat het gevogelte in contact komt met gevogelte van een andere houder of met in het wild levende dieren of hun uitwerpselen.
3. Een passende maatregel als bedoeld in het tweede lid is voor een houder van commercieel gehouden gevogelte, met uitzondering van gevogelte, behorende tot de fazanten (Phasianidae), en de familie van struisvogels (Struthionidae), emoes (Dromaiidae) en nandoes (Rheidae), ten minste het binnen een gebouw brengen en daar houden van het gevogelte.