BWBR0044295
Geldig vanaf 2020-11-04
Artikel 9
Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden
1. Het plafond voor de verstrekking van specifieke uitkeringen op grond van deze regeling bedraagt € 95.000.000,–.
2. Bij de verdeling van het plafond wordt onderscheiden tussen deel A en deel B van het plafond, die elk 50% van het plafond bedragen.
3. Bij de verdeling van deel A van het plafond wordt gebruik gemaakt van de verdeelsleutel, vermeld in de bijlage.
4. Bij de verdeling van deel B van het plafond wordt gebruik gemaakt van de verdeelsleutel, vermeld in de bijlage.
5. De minister kan per provincie één uitkering verstrekken die bestaat uit een deel A, gebaseerd op de verdeling van deel A van het plafond, en een deel B, gebaseerd op de verdeling van deel B van het plafond.
6. De uitkering bestaat ten hoogste uit het totaal van de bedragen die met toepassing van het derde en vierde lid voor die provincie beschikbaar zijn.
7. Indien de aanvraag betrekking heeft op een lager bedrag dan het bedrag, bedoeld in het zesde lid, worden de bedragen die met toepassing van het derde en vierde lid voor die provincie beschikbaar zijn, elk naar rato verminderd.
8. Een provincie kan een aanvraag indienen met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.
9. Indien het plafond niet binnen vier maanden na de inwerkingtreding van deze regeling geheel is verdeeld, wordt het resterende deel toegedeeld door het ambtshalve verhogen van deel B van de op grond van deze regeling verstrekte uitkeringen, voor zover het uitkeringen betreft voor het maximale uitkeringsbedrag, bedoeld in het zesde lid, naar rato van de omvang van die uitkeringen.
2. Bij de verdeling van het plafond wordt onderscheiden tussen deel A en deel B van het plafond, die elk 50% van het plafond bedragen.
3. Bij de verdeling van deel A van het plafond wordt gebruik gemaakt van de verdeelsleutel, vermeld in de bijlage.
4. Bij de verdeling van deel B van het plafond wordt gebruik gemaakt van de verdeelsleutel, vermeld in de bijlage.
5. De minister kan per provincie één uitkering verstrekken die bestaat uit een deel A, gebaseerd op de verdeling van deel A van het plafond, en een deel B, gebaseerd op de verdeling van deel B van het plafond.
6. De uitkering bestaat ten hoogste uit het totaal van de bedragen die met toepassing van het derde en vierde lid voor die provincie beschikbaar zijn.
7. Indien de aanvraag betrekking heeft op een lager bedrag dan het bedrag, bedoeld in het zesde lid, worden de bedragen die met toepassing van het derde en vierde lid voor die provincie beschikbaar zijn, elk naar rato verminderd.
8. Een provincie kan een aanvraag indienen met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.
9. Indien het plafond niet binnen vier maanden na de inwerkingtreding van deze regeling geheel is verdeeld, wordt het resterende deel toegedeeld door het ambtshalve verhogen van deel B van de op grond van deze regeling verstrekte uitkeringen, voor zover het uitkeringen betreft voor het maximale uitkeringsbedrag, bedoeld in het zesde lid, naar rato van de omvang van die uitkeringen.