Artikel 1
1. De som van de vergoedingen die de waterschappen gezamenlijk verschuldigd zijn krachtens artikel 98, tweede lid, van de Waterschapswetis:
a. voor de periode 2020 tot en met 2023 gelijk aan € 11,2 miljoen;
b. voor de periode 2024 tot en met 2027 gelijk aan € 11,2 miljoen, geïndexeerd overeenkomstig de consumentenprijsindex over de periode 2021 tot en met 2023, zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek;
c. voor elke volgende periode van vier kalenderjaren gelijk aan het bedrag dat verschuldigd was in de daaraan voorafgaande periode van vier kalenderjaren, geïndexeerd overeenkomstig de consumentenprijsindex over de laatstgenoemde periode van vier kalenderjaren, zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek.
2. Het aandeel van een afzonderlijk waterschap in de som van de vergoedingen, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald op basis van het aandeel van het waterschap in het totale aantal kiesgerechtigde ingezetenen van de waterschappen tezamen tijdens de laatst gehouden waterschapsverkiezingen.
a. voor de periode 2020 tot en met 2023 gelijk aan € 11,2 miljoen;
b. voor de periode 2024 tot en met 2027 gelijk aan € 11,2 miljoen, geïndexeerd overeenkomstig de consumentenprijsindex over de periode 2021 tot en met 2023, zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek;
c. voor elke volgende periode van vier kalenderjaren gelijk aan het bedrag dat verschuldigd was in de daaraan voorafgaande periode van vier kalenderjaren, geïndexeerd overeenkomstig de consumentenprijsindex over de laatstgenoemde periode van vier kalenderjaren, zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek.
2. Het aandeel van een afzonderlijk waterschap in de som van de vergoedingen, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald op basis van het aandeel van het waterschap in het totale aantal kiesgerechtigde ingezetenen van de waterschappen tezamen tijdens de laatst gehouden waterschapsverkiezingen.