BWBR0044042
Geldig vanaf 2022-08-25
Artikel 24
Regeling voorzieningenplanning vo 2020
1. Leerlingverlies als bedoeld in artikel 4.21 van de wet, wordt berekend op basis van de leerlingtelling in het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar van de aanvraag van de nieuwe onderwijsvoorziening, bedoeld in artikel 4.20 van de wet. Deze berekening vindt plaats door de leerlingen van de bestaande school per schoolsoort en per postcodegebied toe te rekenen aan de bestaande school of aan de nieuwe school afhankelijk van de kortste, hemelsbreed gemeten afstand, gemeten vanaf het middelpunt van het postcodegebied.
2. Onverminderd het eerste lid is bij een onderwijsvoorziening als bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, onderdelen a en c tot en met f, van de wet, een aanvullende berekening vereist.
3. De aanvullende berekening, bedoeld in het tweede lid, is voor het berekenen van leerlingverlies op een school die meerdere schoolsoorten aanbiedt in de bovenbouw als volgt:
a. de absolute aantallen worden per schoolsoort berekend; en
b. de absolute aantallen worden per schoolsoort uitgedrukt in een percentage van het totaal aantal leerlingen van de betreffende schoolsoort of schoolsoorten in de bovenbouw.
4. De aanvullende berekening, bedoeld in het tweede lid, is voor het berekenen van leerlingverlies bij een of meer gemeenschappelijke leerjaren met een of meer schoolsoorten in de onderbouw als volgt:
a. het aantal leerlingen van een schoolsoort in de onderbouw wordt berekend volgens de verhouding van het aantal leerlingen van die schoolsoort in de bovenbouw ten opzichte van de aantallen leerlingen van de andere schoolsoorten in de bovenbouw; en
b. het onder a berekende aantal leerlingen van een schoolsoort vermenigvuldigen met het verliespercentage als bedoeld in het derde lid, onderdeel b.
5. Bij zelfstandige leerjaren in de onderbouw wordt het leerlingverlies berekend door het aantal leerlingen van de betreffende schoolsoort in de onderbouw te vermenigvuldigen met het percentage leerlingverlies als bedoeld in het derde lid, onderdeel b.
6. Het absolute leerlingverlies per schoolsoort voor de onderbouw wordt opgeteld bij het absolute leerlingverlies voor de bovenbouw. Het totaal aantal leerlingen van de onderbouw en de bovenbouw dat het verlies vormt, wordt uitgedrukt in een percentage ten opzichte van de bestaande school of nevenvestiging.
7. Het leerlingverlies van een school die één schoolsoort aanbiedt wordt berekend door het leerlingverlies voor alle leerjaren in absolute aantallen te berekenen, en deze absolute aantallen uit te drukken in een percentage van het totaal aantal leerlingen.
2. Onverminderd het eerste lid is bij een onderwijsvoorziening als bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, onderdelen a en c tot en met f, van de wet, een aanvullende berekening vereist.
3. De aanvullende berekening, bedoeld in het tweede lid, is voor het berekenen van leerlingverlies op een school die meerdere schoolsoorten aanbiedt in de bovenbouw als volgt:
a. de absolute aantallen worden per schoolsoort berekend; en
b. de absolute aantallen worden per schoolsoort uitgedrukt in een percentage van het totaal aantal leerlingen van de betreffende schoolsoort of schoolsoorten in de bovenbouw.
4. De aanvullende berekening, bedoeld in het tweede lid, is voor het berekenen van leerlingverlies bij een of meer gemeenschappelijke leerjaren met een of meer schoolsoorten in de onderbouw als volgt:
a. het aantal leerlingen van een schoolsoort in de onderbouw wordt berekend volgens de verhouding van het aantal leerlingen van die schoolsoort in de bovenbouw ten opzichte van de aantallen leerlingen van de andere schoolsoorten in de bovenbouw; en
b. het onder a berekende aantal leerlingen van een schoolsoort vermenigvuldigen met het verliespercentage als bedoeld in het derde lid, onderdeel b.
5. Bij zelfstandige leerjaren in de onderbouw wordt het leerlingverlies berekend door het aantal leerlingen van de betreffende schoolsoort in de onderbouw te vermenigvuldigen met het percentage leerlingverlies als bedoeld in het derde lid, onderdeel b.
6. Het absolute leerlingverlies per schoolsoort voor de onderbouw wordt opgeteld bij het absolute leerlingverlies voor de bovenbouw. Het totaal aantal leerlingen van de onderbouw en de bovenbouw dat het verlies vormt, wordt uitgedrukt in een percentage ten opzichte van de bestaande school of nevenvestiging.
7. Het leerlingverlies van een school die één schoolsoort aanbiedt wordt berekend door het leerlingverlies voor alle leerjaren in absolute aantallen te berekenen, en deze absolute aantallen uit te drukken in een percentage van het totaal aantal leerlingen.