BWBR0043897
Geldig vanaf 2020-07-17
Artikel 34
Definitieve Regeling bekostiging personeel PO 2019–2020 en vaststelling bedragen voor ondersteuning van leerlingen in het PO en VO 2019–2020
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. asielzoeker: vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 − die ingeschreven staat op een basisschool;
− die door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000; 1°. deze heeft verkregen op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet, onderscheidenlijk van wie ten minste één van de ouders of voogden door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 en deze heeft verkregen op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet, of;
2°. in het bezit is gesteld van een verklaring van het centraal orgaan asielzoekers, waaruit blijkt dat de vreemdeling, dan wel een of beide ouders of voogden in afwachting is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8 onderdelen c, d, f, g, h, j, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom niet beschikt over het document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000, en
1°. deze heeft verkregen op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet, onderscheidenlijk van wie ten minste één van de ouders of voogden door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 en deze heeft verkregen op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet, of;
2°. in het bezit is gesteld van een verklaring van het centraal orgaan asielzoekers, waaruit blijkt dat de vreemdeling, dan wel een of beide ouders of voogden in afwachting is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8 onderdelen c, d, f, g, h, j, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom niet beschikt over het document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000, en
− aantoonbaar nog geen jaar woonachtig is in Nederland;
− die ingeschreven staat op een basisschool;
− die door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000; 1°. deze heeft verkregen op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet, onderscheidenlijk van wie ten minste één van de ouders of voogden door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 en deze heeft verkregen op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet, of;
2°. in het bezit is gesteld van een verklaring van het centraal orgaan asielzoekers, waaruit blijkt dat de vreemdeling, dan wel een of beide ouders of voogden in afwachting is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8 onderdelen c, d, f, g, h, j, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom niet beschikt over het document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000, en
1°. deze heeft verkregen op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet, onderscheidenlijk van wie ten minste één van de ouders of voogden door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 en deze heeft verkregen op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet, of;
2°. in het bezit is gesteld van een verklaring van het centraal orgaan asielzoekers, waaruit blijkt dat de vreemdeling, dan wel een of beide ouders of voogden in afwachting is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8 onderdelen c, d, f, g, h, j, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom niet beschikt over het document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000, en
− aantoonbaar nog geen jaar woonachtig is in Nederland;
b. overige vreemdeling: vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000, niet zijnde een asielzoeker, − die ingeschreven staat op een basisschool;
− die door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000, onderscheidenlijk van wie ten minste één van de ouders of voogden door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000; dan wel die in het bezit is van een paspoort of identiteitsbewijs waaruit blijkt dat hij of zij burger is van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dan wel waarvan ten minste één van de ouders in het bezit is van een paspoort of identiteitsbewijs waaruit blijkt dat hij of zij burger is van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, en
− aantoonbaar nog geen jaar woonachtig is in Nederland;
− die ingeschreven staat op een basisschool;
− die door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000, onderscheidenlijk van wie ten minste één van de ouders of voogden door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000; dan wel die in het bezit is van een paspoort of identiteitsbewijs waaruit blijkt dat hij of zij burger is van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dan wel waarvan ten minste één van de ouders in het bezit is van een paspoort of identiteitsbewijs waaruit blijkt dat hij of zij burger is van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, en
− aantoonbaar nog geen jaar woonachtig is in Nederland;
2. Het bevoegd gezag van een basisschool waar de eerste opvang in het onderwijs wordt verzorgd voor ten minste 4 asielzoekers en/of overige vreemdelingen, ontvangt op aanvraag bijzondere bekostiging voor personeel en aanvullende bekostiging voor materiële instandhouding.
3. De bijzondere en de aanvullende bekostiging heeft betrekking op een periode van drie maanden, met als peildata:
a. de eerste schooldag voor de periode augustus tot en met oktober;
b. 1 november voor de periode november tot en met januari;
c. 1 februari voor de periode februari tot en met april;
d. 1 mei voor de periode mei tot en met juli.
4. Het bevoegd gezag dient ter verkrijging van de bijzondere en de aanvullende bekostiging een aanvraag in die, indien de peildatum de eerste schooldag betreft door DUO moet zijn ontvangen voor 30 september 2019, indien de peildatum niet de eerste schooldag betreft binnen vier weken na de peildatum en indien de peildatum 1 mei betreft binnen acht weken na de peildatum. De aanvraag wordt in ieder geval afgewezen indien het een aanvraag betreft die is ontvangen na deze termijn.
5. Een basisschool die niet eerder eerste opvang van vreemdelingen respectievelijk eerste opvang van asielzoekers of overige vreemdelingen verzorgde, komt in aanmerking voor een eenmalige aanvulling op de bijzondere bekostiging van € 12.580,00.
6. Voor het indienen van een aanvraag wordt gebruikgemaakt van het daarvoor beschikbaar gestelde formulier op www.duo.nl en gaat vergezeld van de volgende gegevens:
a. naam, BRIN-nummer, postcode en plaats van de basisschool;
b. indien de peildatum de eerste schooldag betreft het aantal ingeschreven asielzoekers en het aantal ingeschreven overige vreemdelingen op de eerste schooldag, en het aantal asielzoekers dat op 1 oktober van het voorgaande schooljaar aan de basisschool stond ingeschreven of indien de peildatum niet de eerste schooldag betreft het aantal ingeschreven asielzoekers en het aantal ingeschreven overige vreemdelingen op de peildatum; en
c. in geval van toepassing van het vijfde lid, een verklaring dat de basisschool niet eerder de eerste opvang van vreemdelingen respectievelijk de eerste opvang van asielzoekers of overige vreemdelingen heeft verzorgd.
7. Het bevoegd gezag verklaart door indiening van de aanvraag dat in de leerlingenadministratie voor ieder van de in de aanvraag opgenomen asielzoekers en overige vreemdelingen één of meerdere bewijsstukken aanwezig zijn waaruit blijkt dat de school in aanmerking komt voor de toekenning van bijzondere en aanvullende bekostiging op basis van dit artikel.
8. Van alle asielzoekers en overige vreemdelingen die meetellen voor de in de aanvraag opgegeven aantallen leerlingen dienen de gegevens uit de BRP, zoals geregistreerd in het basisregister onderwijs, als uitgangspunt. In het geval de registratie in de BRP ontbreekt of afwijkt van de door het bevoegd gezag van de basisschool aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangeleverde gegevens, verklaart het bevoegd gezag door de indiening van de aanvraag tevens dat één of meerdere bewijsstukken, waarmee de opgegeven datum van binnenkomst in Nederland kan worden aangetoond, in de administratie van de basisschool aanwezig zijn.
9. Het bevoegd gezag ontvangt de beschikking uiterlijk vier maanden na ontvangst van de aanvraag.
10. De bekostiging, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend volgens de formules:
Indien de peildatum de eerste schooldag betreft en
• indien Ap groter dan At: (Ap - At) x € 10.499,08 x 3/12, met dien verstande dat ingeval er op of voor de peildatum groeibekostiging als bedoeld in artikel 29 van het Besluit bekostiging WPO aan het desbetreffende bevoegd gezag is toegekend, voor het aantal leerlingen waarvoor de groeibekostiging tot en met de peildatum is toegekend, dan wel indien dit kleiner is voor (Ap - At), een aftrek plaatsvindt van € 3.477,40 per leerling, welk bedrag wordt vermenigvuldigd met 3/12, verhoogd met At x (€ 3.184,64 + € 85,14) x 3/12 en verhoogd met Vp x (€ 3.184,64 + € 85,14) x 3/12 Ap x (€ 3.184,64 + € 85,14) x 3/12 verhoogd met Vp x (€ 3.184,64 + € 85,14) x 3/12; waarin: Ap = het aantal op de eerste schooldag ingeschreven leerlingen die asielzoeker zijn; At = het aantal op 1 oktober van het voorgaande schooljaar ingeschreven leerlingen dat op de eerste schooldag asielzoeker is; Vp = het aantal op de eerste schooldag ingeschreven leerlingen dat overige vreemdeling is.
• Indien de peildatum niet de eerste schooldag betreft: Ap x € 10.499,08 x 3/12, met dien verstande dat ingeval er op of voor de peildatum groeibekostiging als bedoeld in artikel 29 of 30 van het Besluit bekostiging WPO aan het desbetreffende bevoegd gezag is toegekend, voor het aantal leerlingen waarvoor de groeibekostiging tot en met de peildatum is toegekend, dan wel indien dit kleiner is voor Ap, een aftrek plaatsvindt van € 3.477,40 per leerling, welk bedrag wordt vermenigvuldigd met 3/12, verhoogd met Vp x (€ 3.184,64 + € 85,14) x 3/12; waarin: Ap = het aantal op de peildatum ingeschreven leerlingen dat asielzoeker is; Vp = het aantal op de peildatum ingeschreven leerlingen dat overige vreemdeling is.
a. asielzoeker: vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 − die ingeschreven staat op een basisschool;
− die door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000; 1°. deze heeft verkregen op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet, onderscheidenlijk van wie ten minste één van de ouders of voogden door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 en deze heeft verkregen op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet, of;
2°. in het bezit is gesteld van een verklaring van het centraal orgaan asielzoekers, waaruit blijkt dat de vreemdeling, dan wel een of beide ouders of voogden in afwachting is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8 onderdelen c, d, f, g, h, j, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom niet beschikt over het document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000, en
1°. deze heeft verkregen op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet, onderscheidenlijk van wie ten minste één van de ouders of voogden door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 en deze heeft verkregen op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet, of;
2°. in het bezit is gesteld van een verklaring van het centraal orgaan asielzoekers, waaruit blijkt dat de vreemdeling, dan wel een of beide ouders of voogden in afwachting is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8 onderdelen c, d, f, g, h, j, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom niet beschikt over het document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000, en
− aantoonbaar nog geen jaar woonachtig is in Nederland;
− die ingeschreven staat op een basisschool;
− die door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000; 1°. deze heeft verkregen op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet, onderscheidenlijk van wie ten minste één van de ouders of voogden door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 en deze heeft verkregen op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet, of;
2°. in het bezit is gesteld van een verklaring van het centraal orgaan asielzoekers, waaruit blijkt dat de vreemdeling, dan wel een of beide ouders of voogden in afwachting is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8 onderdelen c, d, f, g, h, j, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom niet beschikt over het document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000, en
1°. deze heeft verkregen op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet, onderscheidenlijk van wie ten minste één van de ouders of voogden door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 en deze heeft verkregen op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet, of;
2°. in het bezit is gesteld van een verklaring van het centraal orgaan asielzoekers, waaruit blijkt dat de vreemdeling, dan wel een of beide ouders of voogden in afwachting is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8 onderdelen c, d, f, g, h, j, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom niet beschikt over het document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000, en
− aantoonbaar nog geen jaar woonachtig is in Nederland;
b. overige vreemdeling: vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000, niet zijnde een asielzoeker, − die ingeschreven staat op een basisschool;
− die door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000, onderscheidenlijk van wie ten minste één van de ouders of voogden door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000; dan wel die in het bezit is van een paspoort of identiteitsbewijs waaruit blijkt dat hij of zij burger is van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dan wel waarvan ten minste één van de ouders in het bezit is van een paspoort of identiteitsbewijs waaruit blijkt dat hij of zij burger is van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, en
− aantoonbaar nog geen jaar woonachtig is in Nederland;
− die ingeschreven staat op een basisschool;
− die door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000, onderscheidenlijk van wie ten minste één van de ouders of voogden door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000; dan wel die in het bezit is van een paspoort of identiteitsbewijs waaruit blijkt dat hij of zij burger is van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dan wel waarvan ten minste één van de ouders in het bezit is van een paspoort of identiteitsbewijs waaruit blijkt dat hij of zij burger is van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, en
− aantoonbaar nog geen jaar woonachtig is in Nederland;
2. Het bevoegd gezag van een basisschool waar de eerste opvang in het onderwijs wordt verzorgd voor ten minste 4 asielzoekers en/of overige vreemdelingen, ontvangt op aanvraag bijzondere bekostiging voor personeel en aanvullende bekostiging voor materiële instandhouding.
3. De bijzondere en de aanvullende bekostiging heeft betrekking op een periode van drie maanden, met als peildata:
a. de eerste schooldag voor de periode augustus tot en met oktober;
b. 1 november voor de periode november tot en met januari;
c. 1 februari voor de periode februari tot en met april;
d. 1 mei voor de periode mei tot en met juli.
4. Het bevoegd gezag dient ter verkrijging van de bijzondere en de aanvullende bekostiging een aanvraag in die, indien de peildatum de eerste schooldag betreft door DUO moet zijn ontvangen voor 30 september 2019, indien de peildatum niet de eerste schooldag betreft binnen vier weken na de peildatum en indien de peildatum 1 mei betreft binnen acht weken na de peildatum. De aanvraag wordt in ieder geval afgewezen indien het een aanvraag betreft die is ontvangen na deze termijn.
5. Een basisschool die niet eerder eerste opvang van vreemdelingen respectievelijk eerste opvang van asielzoekers of overige vreemdelingen verzorgde, komt in aanmerking voor een eenmalige aanvulling op de bijzondere bekostiging van € 12.580,00.
6. Voor het indienen van een aanvraag wordt gebruikgemaakt van het daarvoor beschikbaar gestelde formulier op www.duo.nl en gaat vergezeld van de volgende gegevens:
a. naam, BRIN-nummer, postcode en plaats van de basisschool;
b. indien de peildatum de eerste schooldag betreft het aantal ingeschreven asielzoekers en het aantal ingeschreven overige vreemdelingen op de eerste schooldag, en het aantal asielzoekers dat op 1 oktober van het voorgaande schooljaar aan de basisschool stond ingeschreven of indien de peildatum niet de eerste schooldag betreft het aantal ingeschreven asielzoekers en het aantal ingeschreven overige vreemdelingen op de peildatum; en
c. in geval van toepassing van het vijfde lid, een verklaring dat de basisschool niet eerder de eerste opvang van vreemdelingen respectievelijk de eerste opvang van asielzoekers of overige vreemdelingen heeft verzorgd.
7. Het bevoegd gezag verklaart door indiening van de aanvraag dat in de leerlingenadministratie voor ieder van de in de aanvraag opgenomen asielzoekers en overige vreemdelingen één of meerdere bewijsstukken aanwezig zijn waaruit blijkt dat de school in aanmerking komt voor de toekenning van bijzondere en aanvullende bekostiging op basis van dit artikel.
8. Van alle asielzoekers en overige vreemdelingen die meetellen voor de in de aanvraag opgegeven aantallen leerlingen dienen de gegevens uit de BRP, zoals geregistreerd in het basisregister onderwijs, als uitgangspunt. In het geval de registratie in de BRP ontbreekt of afwijkt van de door het bevoegd gezag van de basisschool aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangeleverde gegevens, verklaart het bevoegd gezag door de indiening van de aanvraag tevens dat één of meerdere bewijsstukken, waarmee de opgegeven datum van binnenkomst in Nederland kan worden aangetoond, in de administratie van de basisschool aanwezig zijn.
9. Het bevoegd gezag ontvangt de beschikking uiterlijk vier maanden na ontvangst van de aanvraag.
10. De bekostiging, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend volgens de formules:
Indien de peildatum de eerste schooldag betreft en
• indien Ap groter dan At: (Ap - At) x € 10.499,08 x 3/12, met dien verstande dat ingeval er op of voor de peildatum groeibekostiging als bedoeld in artikel 29 van het Besluit bekostiging WPO aan het desbetreffende bevoegd gezag is toegekend, voor het aantal leerlingen waarvoor de groeibekostiging tot en met de peildatum is toegekend, dan wel indien dit kleiner is voor (Ap - At), een aftrek plaatsvindt van € 3.477,40 per leerling, welk bedrag wordt vermenigvuldigd met 3/12, verhoogd met At x (€ 3.184,64 + € 85,14) x 3/12 en verhoogd met Vp x (€ 3.184,64 + € 85,14) x 3/12 Ap x (€ 3.184,64 + € 85,14) x 3/12 verhoogd met Vp x (€ 3.184,64 + € 85,14) x 3/12; waarin: Ap = het aantal op de eerste schooldag ingeschreven leerlingen die asielzoeker zijn; At = het aantal op 1 oktober van het voorgaande schooljaar ingeschreven leerlingen dat op de eerste schooldag asielzoeker is; Vp = het aantal op de eerste schooldag ingeschreven leerlingen dat overige vreemdeling is.
• Indien de peildatum niet de eerste schooldag betreft: Ap x € 10.499,08 x 3/12, met dien verstande dat ingeval er op of voor de peildatum groeibekostiging als bedoeld in artikel 29 of 30 van het Besluit bekostiging WPO aan het desbetreffende bevoegd gezag is toegekend, voor het aantal leerlingen waarvoor de groeibekostiging tot en met de peildatum is toegekend, dan wel indien dit kleiner is voor Ap, een aftrek plaatsvindt van € 3.477,40 per leerling, welk bedrag wordt vermenigvuldigd met 3/12, verhoogd met Vp x (€ 3.184,64 + € 85,14) x 3/12; waarin: Ap = het aantal op de peildatum ingeschreven leerlingen dat asielzoeker is; Vp = het aantal op de peildatum ingeschreven leerlingen dat overige vreemdeling is.