BWBR0043816
Geldig vanaf 2020-07-15
Artikel 5
Beleidsregel tegemoetkoming amateursportorganisaties COVID-19
1. Op verzoek van de minister toont de aanvrager aan dat hij voldoet aan de voorwaarden van deze beleidsregel door het overleggen van:
a. een overzicht van de omzet van de amateursportorganisatie waaruit blijkt dat deze een omzetverlies van ten minste 20% heeft geleden in de periode van 1 maart 2020 tot 1 juni 2020;
b. een factuur op naam van de amateursportorganisatie voor haar doorlopende lasten; en
c. indien de factuur, bedoeld in onderdeel b, meer dan € 1.000 bedraagt, een betalingsbewijs voor die factuur, waaruit blijkt dat de amateursportorganisatie de factuur heeft betaald.
2. De minister kan een besluit tot toekenning van een tegemoetkoming intrekken indien:
a. de aanvrager aan wie een tegemoetkoming is toegekend onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft, waardoor een tegemoetkoming ten onrechte is toegekend;
b. het besluit tot toekenning van een tegemoetkoming anderszins onjuist was en de aanvrager dit wist, dan wel behoorde te weten.
3. De minister vordert een bedrag dat als gevolg van een besluit als bedoeld in het tweede lid ten onrechte is uitbetaald terug van degene aan wie is uitbetaald.
a. een overzicht van de omzet van de amateursportorganisatie waaruit blijkt dat deze een omzetverlies van ten minste 20% heeft geleden in de periode van 1 maart 2020 tot 1 juni 2020;
b. een factuur op naam van de amateursportorganisatie voor haar doorlopende lasten; en
c. indien de factuur, bedoeld in onderdeel b, meer dan € 1.000 bedraagt, een betalingsbewijs voor die factuur, waaruit blijkt dat de amateursportorganisatie de factuur heeft betaald.
2. De minister kan een besluit tot toekenning van een tegemoetkoming intrekken indien:
a. de aanvrager aan wie een tegemoetkoming is toegekend onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft, waardoor een tegemoetkoming ten onrechte is toegekend;
b. het besluit tot toekenning van een tegemoetkoming anderszins onjuist was en de aanvrager dit wist, dan wel behoorde te weten.
3. De minister vordert een bedrag dat als gevolg van een besluit als bedoeld in het tweede lid ten onrechte is uitbetaald terug van degene aan wie is uitbetaald.