BWBR0043707
Geldig vanaf 2020-06-26
Artikel 6.5
Mandaatbesluit BZK 2020
1. Het mandaat van de directeur is niet van toepassing op:
a. personele aangelegenheden ten aanzien van rechtstreeks onder de secretaris-generaal, het diensthoofd of de algemeen directeur ressorterende functionarissen;
b. het namens de Staat aangaan, wijzigen en beëindigen van een arbeidsovereenkomst met een ambtenaar;
c. het verlenen van een jubileumuitkering;
d. het opleggen van een straf;
e. het schorsen van een ambtenaar in zijn ambt;
f. het aanwijzen van een ambtenaar als VWNW-kandidaat;
g. het vaststellen van beleidsregels en circulaires ten aanzien van aangelegenheden op het werkterrein van het diensthoofd, tenzij deze bevoegdheid in hogere regelgeving aan de desbetreffende functionaris is toegekend;
h. het beslissen tot een reorganisatie;
i. het toekennen van materiële schadevergoeding vanaf € 2.500,– of immateriële schadevergoeding;
j. het vaststellen van de formatie van de onder de diensthoofden en algemeen directeuren ressorterende (dienst)onderdelen;
k. de onderwerpen genoemd in artikel 4.5.
2. De beperkingen genoemd in het eerste lid, onderdeel b tot en met f, zijn niet van toepassing op het mandaat van de directeur die leiding geeft aan een agentschap.
a. personele aangelegenheden ten aanzien van rechtstreeks onder de secretaris-generaal, het diensthoofd of de algemeen directeur ressorterende functionarissen;
b. het namens de Staat aangaan, wijzigen en beëindigen van een arbeidsovereenkomst met een ambtenaar;
c. het verlenen van een jubileumuitkering;
d. het opleggen van een straf;
e. het schorsen van een ambtenaar in zijn ambt;
f. het aanwijzen van een ambtenaar als VWNW-kandidaat;
g. het vaststellen van beleidsregels en circulaires ten aanzien van aangelegenheden op het werkterrein van het diensthoofd, tenzij deze bevoegdheid in hogere regelgeving aan de desbetreffende functionaris is toegekend;
h. het beslissen tot een reorganisatie;
i. het toekennen van materiële schadevergoeding vanaf € 2.500,– of immateriële schadevergoeding;
j. het vaststellen van de formatie van de onder de diensthoofden en algemeen directeuren ressorterende (dienst)onderdelen;
k. de onderwerpen genoemd in artikel 4.5.
2. De beperkingen genoemd in het eerste lid, onderdeel b tot en met f, zijn niet van toepassing op het mandaat van de directeur die leiding geeft aan een agentschap.