BWBR0043557
Geldig vanaf 2020-07-18
Artikel 4
Regeling Woningbouwimpuls 2020
1. De minister kan besluiten een aanvraagtijdvak te openen waarin uitsluitend colleges van burgemeester en wethouders die in een voorafgaand aanvraagtijdvak een aanvraag hebben ingediend die is afgewezen een aanvraag kunnen doen voor hetzelfde project als waarop de afgewezen aanvraag zag. Het aanvraagtijdvak vangt aan binnen 17 weken na het sluiten van het voorafgaande aanvraagtijdvak.
2. Een omschrijving van een project als bedoeld in artikel 4, derde lid, onder a, van het besluit, bestaat in ieder geval uit:
a. een toelichting op de geografische afbakening van het project;
b. een toelichting op het project, waaronder in ieder geval een toelichting op de noodzaak, toerekenbaarheid en proportionaliteit van de activiteiten van de gemeente ten behoeve van de te realiseren woningen;
c. een kwantitatief overzicht van de te realiseren woningen; en
d. een toelichting op de kwaliteit van de te bouwen woningen en van de leefomgeving.
3. Een haalbaarheidsstudie als bedoeld in artikel 4, derde lid, onder b, van het besluit, bevat:
a. een begroting en prognose van publieke kosten en opbrengsten, waarmee het aantoonbare financiële tekort wordt onderbouwd;
b. een toelichting op de kosten en opbrengsten zoals opgenomen in de begroting en prognose;
c. een overzicht van de stand van zaken van het project op het moment waarop de aanvraag is ingediend, waarin wordt ingegaan op de fasering van de woningbouw, de organisatie van het project en de zekerheid van een tijdige realisatie;
d. een toelichting op de noodzaak van een bijdrage en het regionaal belang van het project.
4. Een aanvraag wordt ingediend via een formulier dat beschikbaar wordt gesteld op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
5. In een aanvraagtijdvak kan een gemeente ten hoogste drie aanvragen indienen.
6. De uitkeringsbeschikking vermeldt in elk geval:
a. aan welke activiteiten voor het versnellen of realiseren van de bouw van woningen met de uitkering wordt bijgedragen;
b. het bedrag van de uitkering;
c. de wijze van verantwoording over de besteding van de uitkering;
d. de periode waarvoor de uitkering wordt verleend; en
e. de wijze waarop kan worden aangetoond dat de activiteiten binnen het project zijn verricht.
7. De minister betaalt in het geval van een toekennende uitkeringsbeschikking, de uitkering in één keer uit. De minister verleent daarbij een voorschot van 100%.
8. Aan een uitkering kunnen in de uitkeringsbeschikking nadere verplichtingen worden verbonden.
2. Een omschrijving van een project als bedoeld in artikel 4, derde lid, onder a, van het besluit, bestaat in ieder geval uit:
a. een toelichting op de geografische afbakening van het project;
b. een toelichting op het project, waaronder in ieder geval een toelichting op de noodzaak, toerekenbaarheid en proportionaliteit van de activiteiten van de gemeente ten behoeve van de te realiseren woningen;
c. een kwantitatief overzicht van de te realiseren woningen; en
d. een toelichting op de kwaliteit van de te bouwen woningen en van de leefomgeving.
3. Een haalbaarheidsstudie als bedoeld in artikel 4, derde lid, onder b, van het besluit, bevat:
a. een begroting en prognose van publieke kosten en opbrengsten, waarmee het aantoonbare financiële tekort wordt onderbouwd;
b. een toelichting op de kosten en opbrengsten zoals opgenomen in de begroting en prognose;
c. een overzicht van de stand van zaken van het project op het moment waarop de aanvraag is ingediend, waarin wordt ingegaan op de fasering van de woningbouw, de organisatie van het project en de zekerheid van een tijdige realisatie;
d. een toelichting op de noodzaak van een bijdrage en het regionaal belang van het project.
4. Een aanvraag wordt ingediend via een formulier dat beschikbaar wordt gesteld op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
5. In een aanvraagtijdvak kan een gemeente ten hoogste drie aanvragen indienen.
6. De uitkeringsbeschikking vermeldt in elk geval:
a. aan welke activiteiten voor het versnellen of realiseren van de bouw van woningen met de uitkering wordt bijgedragen;
b. het bedrag van de uitkering;
c. de wijze van verantwoording over de besteding van de uitkering;
d. de periode waarvoor de uitkering wordt verleend; en
e. de wijze waarop kan worden aangetoond dat de activiteiten binnen het project zijn verricht.
7. De minister betaalt in het geval van een toekennende uitkeringsbeschikking, de uitkering in één keer uit. De minister verleent daarbij een voorschot van 100%.
8. Aan een uitkering kunnen in de uitkeringsbeschikking nadere verplichtingen worden verbonden.