BWBR0043299
Geldig vanaf 2020-03-21
Artikel 3
Regeling vaststelling tijdelijke regels m.b.t. de wekelijkse rij- en rusttijden van bestuurders in het wegvervoer in enkele deelsectoren in afwijking van Verordening 561/2006 (maatregelen ter voorkoming van verdere verspreiding virus COVID-19)
1. In afwijking van artikel 6, eerste lid, van de verordening, mag de dagelijkse rijtijd niet meer bedragen dan elf uur.
2. In afwijking van artikel 6, tweede lid, van de verordening, mag de wekelijkse rijtijd van een bestuurder niet meer bedragen dan 60 uur, waarbij de maximale wekelijkse arbeidstijd als gedefinieerd in Richtlijn 2002/15/EGniet mag worden overschreden.
3. In afwijking van artikel 6, derde lid, van de verordening, mag de bij elkaar opgetelde rijtijd gedurende twee opeenvolgende weken niet meer bedragen dan 96 uur.
4. In afwijking van artikel 8, zesde lid, van de verordening, mag een wekelijkse rusttijd niet later beginnen dan aan het einde van zeven perioden van 24 uur te rekenen vanaf het einde van de vorige wekelijkse rusttijd.
2. In afwijking van artikel 6, tweede lid, van de verordening, mag de wekelijkse rijtijd van een bestuurder niet meer bedragen dan 60 uur, waarbij de maximale wekelijkse arbeidstijd als gedefinieerd in Richtlijn 2002/15/EGniet mag worden overschreden.
3. In afwijking van artikel 6, derde lid, van de verordening, mag de bij elkaar opgetelde rijtijd gedurende twee opeenvolgende weken niet meer bedragen dan 96 uur.
4. In afwijking van artikel 8, zesde lid, van de verordening, mag een wekelijkse rusttijd niet later beginnen dan aan het einde van zeven perioden van 24 uur te rekenen vanaf het einde van de vorige wekelijkse rusttijd.