BWBR0042878
Geldig vanaf 2019-12-31
Artikel 4
Gemeenschappelijke regeling Historisch Centrum Limburg 2020
1. Het algemeen bestuur bestaat uit zes leden.
2. De Minister wijst twee leden aan.
3. De colleges B&W wijzen uit hun midden ieder twee leden aan.
4. De Minister en de colleges B&W kunnen voor ieder lid tevens één plaatsvervangend lid, voor de colleges B&W uit hun midden, aanwijzen, dat het lid bij verhindering of ontstentenis vervangt. Hetgeen in deze regeling is bepaald ten aanzien van een lid van het algemeen bestuur is van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid, tenzij de regeling anders bepaalt.
5. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur van de leden, aangewezen door de Minister, eindigt op het moment dat de termijn waarvoor het lid benoemd is, afloopt. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur van de leden, aangewezen door de colleges B&W, eindigt op het moment dat de zittingsperiode van het college van burgemeester en wethouders van een van de gemeenten afloopt.
6. Het lidmaatschap van de leden, aangewezen door de colleges B&W, eindigt tevens bij beëindiging van het lidmaatschap van die leden van het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente.
7. Een persoon waarvan het lidmaatschap ingevolge het vijfde lid is geëindigd, kan opnieuw worden aangewezen.
8. Indien tussentijds een zetel van een lid van het algemeen bestuur vacant komt, wijzen de Minister of de colleges B&W zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.
9. Een lid van het algemeen bestuur dat zijn lidmaatschap ter beschikking heeft gesteld, blijft in functie totdat een nieuw lid is aangewezen.
2. De Minister wijst twee leden aan.
3. De colleges B&W wijzen uit hun midden ieder twee leden aan.
4. De Minister en de colleges B&W kunnen voor ieder lid tevens één plaatsvervangend lid, voor de colleges B&W uit hun midden, aanwijzen, dat het lid bij verhindering of ontstentenis vervangt. Hetgeen in deze regeling is bepaald ten aanzien van een lid van het algemeen bestuur is van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid, tenzij de regeling anders bepaalt.
5. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur van de leden, aangewezen door de Minister, eindigt op het moment dat de termijn waarvoor het lid benoemd is, afloopt. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur van de leden, aangewezen door de colleges B&W, eindigt op het moment dat de zittingsperiode van het college van burgemeester en wethouders van een van de gemeenten afloopt.
6. Het lidmaatschap van de leden, aangewezen door de colleges B&W, eindigt tevens bij beëindiging van het lidmaatschap van die leden van het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente.
7. Een persoon waarvan het lidmaatschap ingevolge het vijfde lid is geëindigd, kan opnieuw worden aangewezen.
8. Indien tussentijds een zetel van een lid van het algemeen bestuur vacant komt, wijzen de Minister of de colleges B&W zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.
9. Een lid van het algemeen bestuur dat zijn lidmaatschap ter beschikking heeft gesteld, blijft in functie totdat een nieuw lid is aangewezen.