BWBR0042533
Geldig vanaf 2018-05-01
Artikel 2
Beleidsregel instelling veiligheidszone windparken op zee
1. In een besluit tot het instellen van een veiligheidszone wordt bepaald dat het verboden is zich in de veiligheidszone te bevinden of in de veiligheidszone enig voorwerp te hebben of te doen hebben.
2. In een besluit tot het instellen van een veiligheidszone wordt bepaald dat het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet geldt voor het zich met een vaartuig in de veiligheidszone bevinden:
a. in verband met de aanleg, de inspectie, het testen, de reparatie, het onderhoud, de verandering, vernieuwing of verwijdering van onderzeese kabels, meetmasten, transformatorstations en andere objecten van de exploitant;
b. om diensten te verlenen voor exploitatie van het windpark of vervoer van personen of goederen van en naar het windpark ten behoeve van exploitatie van het windpark;
c. in het kader van toezicht op de naleving en de handhaving van wettelijke voorschriften;
d. in het kader van onderzoek in opdracht van de rijksoverheid; of
e. met toestemming van de exploitant van het windpark.
3. In een besluit tot het instellen van een veiligheidszone wordt bepaald dat het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet geldt voor het zich in de veiligheidszone bevinden, dan wel het daarin hebben of doen hebben van een voorwerp, in het kader van:
a. activiteiten als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot met d, of
b. activiteiten waarvoor op grond van artikel 7.17 van het Besluit activiteiten leefomgeving een vergunning is verleend.
2. In een besluit tot het instellen van een veiligheidszone wordt bepaald dat het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet geldt voor het zich met een vaartuig in de veiligheidszone bevinden:
a. in verband met de aanleg, de inspectie, het testen, de reparatie, het onderhoud, de verandering, vernieuwing of verwijdering van onderzeese kabels, meetmasten, transformatorstations en andere objecten van de exploitant;
b. om diensten te verlenen voor exploitatie van het windpark of vervoer van personen of goederen van en naar het windpark ten behoeve van exploitatie van het windpark;
c. in het kader van toezicht op de naleving en de handhaving van wettelijke voorschriften;
d. in het kader van onderzoek in opdracht van de rijksoverheid; of
e. met toestemming van de exploitant van het windpark.
3. In een besluit tot het instellen van een veiligheidszone wordt bepaald dat het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet geldt voor het zich in de veiligheidszone bevinden, dan wel het daarin hebben of doen hebben van een voorwerp, in het kader van:
a. activiteiten als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot met d, of
b. activiteiten waarvoor op grond van artikel 7.17 van het Besluit activiteiten leefomgeving een vergunning is verleend.