BWBR0042419
Geldig vanaf 2019-07-19
Artikel 4
Regeling vakwedstrijden vmbo en mbo
1. Voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling is voor de periode van 1 april 2020 tot en met 31 maart 2026 per boekjaar beschikbaar:
a. voor de activiteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a: een bedrag van maximaal € 680.000;
b. voor de activiteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b: een bedrag van maximaal € 3.600.000;
c. voor de activiteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c: een bedrag van maximaal € 500.000.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, is voor het boekjaar van 1 april 2022 tot en met 31 maart 2023 voor de activiteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, een bedrag van maximaal € 758.000 beschikbaar.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, zijn de volgende bedragen beschikbaar voor de activiteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a:
a. voor het boekjaar van 1 april 2023 tot en met 31 maart 2024: maximaal € 857.490.
b. voor het boekjaar van 1 april 2024 tot en met 31 maart 2025: maximaal € 857.490.
4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, is voor het boekjaar van 1 april 2022 tot en met 31 maart 2023 voor de activiteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, een bedrag van maximaal € 3.827.000 beschikbaar.
5. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, is voor het boekjaar van 1 april 2023 tot en met 31 maart 2024 voor de activiteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, een bedrag van maximaal € 4.434.000 beschikbaar.
6. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, is voor het boekjaar van 1 april 2024 tot en met 31 maart 2025 voor de activiteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, een bedrag van maximaal € 4.610.000 beschikbaar.
7. In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, is voor het boekjaar van 1 april 2024 tot en met 31 maart 2025 voor de activiteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, een bedrag van maximaal € 580.000 beschikbaar.
8. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, is voor het boekjaar van 1 april 2025 tot en met 31 maart 2026 voor de activiteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, een bedrag van maximaal € 907.000 beschikbaar.
9. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, is voor het boekjaar van 1 april 2025 tot en met 31 maart 2026 voor de activiteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, een bedrag van maximaal € 4.817.000 beschikbaar.
10. In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, is voor het boekjaar van 1 april 2025 tot en met 31 maart 2026 voor de activiteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, een bedrag van maximaal € 580.000 beschikbaar.
a. voor de activiteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a: een bedrag van maximaal € 680.000;
b. voor de activiteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b: een bedrag van maximaal € 3.600.000;
c. voor de activiteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c: een bedrag van maximaal € 500.000.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, is voor het boekjaar van 1 april 2022 tot en met 31 maart 2023 voor de activiteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, een bedrag van maximaal € 758.000 beschikbaar.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, zijn de volgende bedragen beschikbaar voor de activiteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a:
a. voor het boekjaar van 1 april 2023 tot en met 31 maart 2024: maximaal € 857.490.
b. voor het boekjaar van 1 april 2024 tot en met 31 maart 2025: maximaal € 857.490.
4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, is voor het boekjaar van 1 april 2022 tot en met 31 maart 2023 voor de activiteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, een bedrag van maximaal € 3.827.000 beschikbaar.
5. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, is voor het boekjaar van 1 april 2023 tot en met 31 maart 2024 voor de activiteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, een bedrag van maximaal € 4.434.000 beschikbaar.
6. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, is voor het boekjaar van 1 april 2024 tot en met 31 maart 2025 voor de activiteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, een bedrag van maximaal € 4.610.000 beschikbaar.
7. In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, is voor het boekjaar van 1 april 2024 tot en met 31 maart 2025 voor de activiteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, een bedrag van maximaal € 580.000 beschikbaar.
8. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, is voor het boekjaar van 1 april 2025 tot en met 31 maart 2026 voor de activiteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, een bedrag van maximaal € 907.000 beschikbaar.
9. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, is voor het boekjaar van 1 april 2025 tot en met 31 maart 2026 voor de activiteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, een bedrag van maximaal € 4.817.000 beschikbaar.
10. In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, is voor het boekjaar van 1 april 2025 tot en met 31 maart 2026 voor de activiteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, een bedrag van maximaal € 580.000 beschikbaar.