BWBR0042154
Geldig vanaf 2019-05-01
Artikel 2
Instellingsbesluit Commissie Onderzoek Interlandelijke Adoptie in het verleden
1. Er is een Commissie Onderzoek Interlandelijke Adoptie in het verleden.
2. De commissie heeft tot taak onderzoek te doen naar:
a. de rol en verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid met betrekking tot interlandelijke adoptie van kinderen in tenminste de periode 1967–1998;
b. het bestaan van mogelijke misstanden met betrekking tot interlandelijke adoptie van kinderen in tenminste de periode 1967–1998 waarbij in ieder geval als startpunt de landen Bangladesh, Brazilië, Colombia, Indonesië en Sri Lanka worden onderzocht;
c. bekendheid bij de Nederlandse overheid van mogelijke misstanden als bedoeld onder b;
d. de betrokkenheid van de Nederlandse overheid bij mogelijke misstanden als bedoeld onder b;
e. de bekendheid bij Nederlandse bemiddelende partijen of andere instanties/particulieren met mogelijke misstanden als bedoeld onder b;
f. de betrokkenheid van Nederlandse bemiddelende partijen of andere instanties/particulieren bij mogelijke misstanden als bedoeld onder b;
g. de mate waarin mogelijke betrokkenheid als bedoeld onder d en f. incidenteel of structureel van aard was;
h. de wijze waarop de Nederlandse overheid op signalen van mogelijke misstanden als bedoeld onder b. heeft gereageerd; en
i. of de wijze van reageren adequaat/toereikend is geweest, in het licht van de rol en verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid als bedoeld onder a.
3. De commissie is bevoegd gedurende het onderzoek aanvullende vragen te formuleren en deze te onderzoeken en beantwoorden, indien zij dat dienstig acht aan de opdracht zoals neergelegd in lid 2 van dit artikel.
2. De commissie heeft tot taak onderzoek te doen naar:
a. de rol en verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid met betrekking tot interlandelijke adoptie van kinderen in tenminste de periode 1967–1998;
b. het bestaan van mogelijke misstanden met betrekking tot interlandelijke adoptie van kinderen in tenminste de periode 1967–1998 waarbij in ieder geval als startpunt de landen Bangladesh, Brazilië, Colombia, Indonesië en Sri Lanka worden onderzocht;
c. bekendheid bij de Nederlandse overheid van mogelijke misstanden als bedoeld onder b;
d. de betrokkenheid van de Nederlandse overheid bij mogelijke misstanden als bedoeld onder b;
e. de bekendheid bij Nederlandse bemiddelende partijen of andere instanties/particulieren met mogelijke misstanden als bedoeld onder b;
f. de betrokkenheid van Nederlandse bemiddelende partijen of andere instanties/particulieren bij mogelijke misstanden als bedoeld onder b;
g. de mate waarin mogelijke betrokkenheid als bedoeld onder d en f. incidenteel of structureel van aard was;
h. de wijze waarop de Nederlandse overheid op signalen van mogelijke misstanden als bedoeld onder b. heeft gereageerd; en
i. of de wijze van reageren adequaat/toereikend is geweest, in het licht van de rol en verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid als bedoeld onder a.
3. De commissie is bevoegd gedurende het onderzoek aanvullende vragen te formuleren en deze te onderzoeken en beantwoorden, indien zij dat dienstig acht aan de opdracht zoals neergelegd in lid 2 van dit artikel.