BWBR0042078
Geldig vanaf 2019-04-02
Artikel 2
Mandaatbesluit en machtiging LVV
1. Ter uitvoering en met inachtneming van de samenwerkingsafspraken en de convenanten wordt aan de burgemeester, de collegeleden, de wethouders, de afdelingshoofden, de beleidsontwikkelaars, de adviseurs migratie en integratie en de sectordirecteuren mandaat en machtiging verleend ten behoeve van het verrichten van handelingen die verband houden met:
a. de toelating tot de LVV;
b. het verblijf in de LVV;
c. het beëindigen van het onderdak in de LVV.
2. Ter uitvoering en met inachtneming van de samenwerkingsafspraken en de convenanten wordt aan het college mandaat en machtiging verleend om in het kader van de uitvoering van artikel 2, eerste lid, namens de Staatssecretaris te beslissen op bezwaarschriften, met dien verstande dat degene die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg.
3. Aan het college wordt mandaat en machtiging verleend om in het kader van de uitvoering van het eerste en tweede lid namens de Staatssecretaris in rechte op te treden en om namens de Staatssecretaris tegen rechterlijke uitspraken ter zake hoger beroep in te stellen. Indien het een zaak betreft met een kennelijk aanmerkelijk financieel of rechtspositioneel belang, oefent het college deze bevoegdheid niet uit dan na verkregen instemming van de Staatssecretaris.
a. de toelating tot de LVV;
b. het verblijf in de LVV;
c. het beëindigen van het onderdak in de LVV.
2. Ter uitvoering en met inachtneming van de samenwerkingsafspraken en de convenanten wordt aan het college mandaat en machtiging verleend om in het kader van de uitvoering van artikel 2, eerste lid, namens de Staatssecretaris te beslissen op bezwaarschriften, met dien verstande dat degene die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg.
3. Aan het college wordt mandaat en machtiging verleend om in het kader van de uitvoering van het eerste en tweede lid namens de Staatssecretaris in rechte op te treden en om namens de Staatssecretaris tegen rechterlijke uitspraken ter zake hoger beroep in te stellen. Indien het een zaak betreft met een kennelijk aanmerkelijk financieel of rechtspositioneel belang, oefent het college deze bevoegdheid niet uit dan na verkregen instemming van de Staatssecretaris.