BWBR0041901
Geldig vanaf 2019-02-13
Artikel 2
Instellingsbesluit Commissie Onderzoeksprogramma Geweld hoort nergens thuis
1. Er is een Commissie Onderzoeksprogramma Geweld hoort nergens thuis.
2. De commissie heeft tot taak om een gedragen en samenhangend onderzoeksprogramma vast te stellen en uit te (laten) voeren, dat bestaat uit de volgende onderdelen:
a. het bundelen, analyseren, toepasbaar maken en delen van de bestaande kennis over de aanpak van kindermishandeling en huiselijk geweld met professionals, organisaties en gemeenten (kennissynthese). Dit mondt met ingang van 2019 in ieder geval uit in een jaarlijkse publicatie met toepasbare kennis voor het veld.
b. het vanuit een bundeling van kennisbehoeften van de professionals en op basis van de kennissynthese voorzien in een kennisprogramma, waarin wordt bepaald welk (soort) onderzoek nodig is en wie dat uitvoert (of al doet). De focus ligt op het helpen van gemeenten en professionals door hun handelingsperspectieven te verbreden om daadwerkelijk herstel van veiligheid te kunnen realiseren. Hiernaast is er ook aandacht voor de volgende specifieke onderwerpen: i. het op wijkniveau in beeld brengen van risicofactoren;
ii. informatie over effectieve interventies (zowel voor toepassing door professionals als ten behoeve van de inkoop ervan door gemeenten);
iii. het verhogen van de meldings- en aangiftebereidheid in die groepen waar eer een belangrijke rol speelt;
iv. deskundigheidsbevordering en interventies in groepen waar eer een belangrijke rol speelt;
v. de vraag hoe professionals in de zorg en bij Veilig Thuis beter kunnen worden toegerust om seksueel geweld te herkennen en bespreekbaar te maken, waarbij ook de signalen en risico’s die online spelen meegenomen worden.
i. het op wijkniveau in beeld brengen van risicofactoren;
ii. informatie over effectieve interventies (zowel voor toepassing door professionals als ten behoeve van de inkoop ervan door gemeenten);
iii. het verhogen van de meldings- en aangiftebereidheid in die groepen waar eer een belangrijke rol speelt;
iv. deskundigheidsbevordering en interventies in groepen waar eer een belangrijke rol speelt;
v. de vraag hoe professionals in de zorg en bij Veilig Thuis beter kunnen worden toegerust om seksueel geweld te herkennen en bespreekbaar te maken, waarbij ook de signalen en risico’s die online spelen meegenomen worden.
c. het ontwikkelen, inrichten en uitvoeren van een impactmonitor, waarmee wordt gemeten of er een wezenlijk verschil wordt gemaakt met de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling in de levens van mensen die het raakt. De impactmonitor bestaat uit indicatoren waarmee de (maatschappelijke) impact van de inzet van de betrokken organisaties, professionals en overheden wordt gemonitord en onderzocht. Het uitgangspunt is dat de effectmonitor niet leidt tot onnodige registratiedruk voor professionals en organisaties.
d. het één keer per jaar aan de bewindspersonen rapporteren over de resultaten van de impactmonitor. Een opzet voor deze monitor is eind 2018 op hoofdlijnen gereed.
3. Het onderzoeksprogramma bestaat in ieder geval uit de onder a tot en met c genoemde onderdelen. Waar noodzakelijk of gewenst kan de commissie aan de bewindspersonen voorstellen doen om onderdelen toe te voegen.
2. De commissie heeft tot taak om een gedragen en samenhangend onderzoeksprogramma vast te stellen en uit te (laten) voeren, dat bestaat uit de volgende onderdelen:
a. het bundelen, analyseren, toepasbaar maken en delen van de bestaande kennis over de aanpak van kindermishandeling en huiselijk geweld met professionals, organisaties en gemeenten (kennissynthese). Dit mondt met ingang van 2019 in ieder geval uit in een jaarlijkse publicatie met toepasbare kennis voor het veld.
b. het vanuit een bundeling van kennisbehoeften van de professionals en op basis van de kennissynthese voorzien in een kennisprogramma, waarin wordt bepaald welk (soort) onderzoek nodig is en wie dat uitvoert (of al doet). De focus ligt op het helpen van gemeenten en professionals door hun handelingsperspectieven te verbreden om daadwerkelijk herstel van veiligheid te kunnen realiseren. Hiernaast is er ook aandacht voor de volgende specifieke onderwerpen: i. het op wijkniveau in beeld brengen van risicofactoren;
ii. informatie over effectieve interventies (zowel voor toepassing door professionals als ten behoeve van de inkoop ervan door gemeenten);
iii. het verhogen van de meldings- en aangiftebereidheid in die groepen waar eer een belangrijke rol speelt;
iv. deskundigheidsbevordering en interventies in groepen waar eer een belangrijke rol speelt;
v. de vraag hoe professionals in de zorg en bij Veilig Thuis beter kunnen worden toegerust om seksueel geweld te herkennen en bespreekbaar te maken, waarbij ook de signalen en risico’s die online spelen meegenomen worden.
i. het op wijkniveau in beeld brengen van risicofactoren;
ii. informatie over effectieve interventies (zowel voor toepassing door professionals als ten behoeve van de inkoop ervan door gemeenten);
iii. het verhogen van de meldings- en aangiftebereidheid in die groepen waar eer een belangrijke rol speelt;
iv. deskundigheidsbevordering en interventies in groepen waar eer een belangrijke rol speelt;
v. de vraag hoe professionals in de zorg en bij Veilig Thuis beter kunnen worden toegerust om seksueel geweld te herkennen en bespreekbaar te maken, waarbij ook de signalen en risico’s die online spelen meegenomen worden.
c. het ontwikkelen, inrichten en uitvoeren van een impactmonitor, waarmee wordt gemeten of er een wezenlijk verschil wordt gemaakt met de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling in de levens van mensen die het raakt. De impactmonitor bestaat uit indicatoren waarmee de (maatschappelijke) impact van de inzet van de betrokken organisaties, professionals en overheden wordt gemonitord en onderzocht. Het uitgangspunt is dat de effectmonitor niet leidt tot onnodige registratiedruk voor professionals en organisaties.
d. het één keer per jaar aan de bewindspersonen rapporteren over de resultaten van de impactmonitor. Een opzet voor deze monitor is eind 2018 op hoofdlijnen gereed.
3. Het onderzoeksprogramma bestaat in ieder geval uit de onder a tot en met c genoemde onderdelen. Waar noodzakelijk of gewenst kan de commissie aan de bewindspersonen voorstellen doen om onderdelen toe te voegen.