BWBR0041640
Geldig vanaf 2021-12-07
Artikel 3
Regeling subsidie begaafde leerlingen po en vo
De minister kan aan een samenwerkingsverband subsidie verstrekken om, eventueel in samenwerking met andere partijen, extra ondersteuning aan te bieden aan leerlingen met kenmerken van begaafdheid, die niet voldoende hebben aan het aanbod in het reguliere onderwijs, voor zover de extra ondersteuning niet onder de basisondersteuningsvoorzieningen valt. Onder extra ondersteuning wordt in ieder geval verstaan:
a. het inzetten van begeleiders met expertise op het gebied van begaafdheid om het zelfregulerend vermogen van leerlingen met kenmerken van begaafdheid te vergroten;
b. het aanbieden van een ontwikkelomgeving die inspeelt op begaafdheidskenmerken;
c. het aanbieden van arrangementen voor complexe ondersteuningsbehoeften van leerlingen met kenmerken van begaafdheid;
d. het aanbieden van voorzieningen om de doorlopende ontwikkeling van leerlingen met kenmerken van begaafdheid te stimuleren;
e. het vergroten van de expertise op het gebied van begaafdheid en het faciliteren van de professionele ontwikkeling van betrokken medewerkers;
f. het versterken van de onderlinge samenwerking tussen scholen in de regio;
g. het organiseren van initiatieven om de samenwerking tussen onderwijs, zorg en andere instanties in de eigen regio en omgelegen regio’s te verbeteren; of
h. het structureel opnemen van complexe vraagstukken over begaafdheid als aandachtsgebied.
a. het inzetten van begeleiders met expertise op het gebied van begaafdheid om het zelfregulerend vermogen van leerlingen met kenmerken van begaafdheid te vergroten;
b. het aanbieden van een ontwikkelomgeving die inspeelt op begaafdheidskenmerken;
c. het aanbieden van arrangementen voor complexe ondersteuningsbehoeften van leerlingen met kenmerken van begaafdheid;
d. het aanbieden van voorzieningen om de doorlopende ontwikkeling van leerlingen met kenmerken van begaafdheid te stimuleren;
e. het vergroten van de expertise op het gebied van begaafdheid en het faciliteren van de professionele ontwikkeling van betrokken medewerkers;
f. het versterken van de onderlinge samenwerking tussen scholen in de regio;
g. het organiseren van initiatieven om de samenwerking tussen onderwijs, zorg en andere instanties in de eigen regio en omgelegen regio’s te verbeteren; of
h. het structureel opnemen van complexe vraagstukken over begaafdheid als aandachtsgebied.