BWBR0041357
Geldig vanaf 2018-10-01
Artikel 5
Beleidsregel experimenten vergaand geautomatiseerd varen rijksvaarwegen
1. De Directeur-Generaal Rijkswaterstaat verleent de toestemming indien uit de aanvraag blijkt dat:
a. in het geval van een defect of storing in de te testen geautomatiseerde toepassing het mogelijk is te allen tijde om de handelingen op andere wijze uit te voeren en indien nodig om het schip op veilige wijze te onttrekken aan het verkeer; en
b. de bemanningsleden aan boord en eventuele andere personen die, al dan niet op een andere locatie, meewerken aan het experiment beschikken over voldoende en juiste kennis ten aanzien van de te testen geautomatiseerde toepassing.
2. In de toestemming van de Directeur-Generaal Rijkswaterstaat wordt in ieder geval opgenomen:
a. informatie over het schip waarmee het experiment wordt uitgevoerd;
b. contactgegevens van de verantwoordelijke of verantwoordelijken voor het schip gedurende het experiment;
c. locatie of traject waar het experiment mag plaatsvinden;
d. ingangsdatum en einddatum van het experiment;
e. dat de experimenteerpartij een verzoek tot verlenging van het experiment als bedoeld in artikel 8, kan indienen, en
f. hoeveelheid, samenstelling of de locatie van de personen die meewerken aan het experiment, met inbegrip van de bemanningsleden.
3. Aan de toestemming worden in ieder geval de volgende voorschriften verbonden:
a. de toestemming kan op verzoek gedurende het experiment te allen tijde worden getoond;
b. de verantwoordelijke voor het schip gedurende het experiment controleert voor de start van elk onderdeel van het experiment of het schip, de te testen geautomatiseerde toepassing en de voorziene veiligheidsmaatregelen adequaat werken;
c. de verantwoordelijke voor het schip gedurende het experiment is te allen tijde in staat het schip te voeren;
d. indien het gedurende het experiment nodig was om in te grijpen, onder andere ten gevolge van een defect of storing, wordt de te testen geautomatiseerde toepassing gecontroleerd en worden er, indien nodig, aanpassingen gedaan; en
e. de verantwoordelijke voor het schip gedurende het experiment meldt ieder ingrijpen gedurende een experiment onverwijld aan de Directeur-Generaal Rijkswaterstaat. Daarbij wordt tevens gemeld op welke wijze is ingegrepen en op welke wijze is vastgesteld dat het defect of de storing zich naar alle waarschijnlijk niet wederom kan plaatsvinden.
4. Aan de toestemming kunnen aanvullende voorschriften worden gesteld die nodig worden geacht voor de uitvoering van het experiment. Deze aanvullende voorschriften worden tevens opgenomen in de toestemming.
a. in het geval van een defect of storing in de te testen geautomatiseerde toepassing het mogelijk is te allen tijde om de handelingen op andere wijze uit te voeren en indien nodig om het schip op veilige wijze te onttrekken aan het verkeer; en
b. de bemanningsleden aan boord en eventuele andere personen die, al dan niet op een andere locatie, meewerken aan het experiment beschikken over voldoende en juiste kennis ten aanzien van de te testen geautomatiseerde toepassing.
2. In de toestemming van de Directeur-Generaal Rijkswaterstaat wordt in ieder geval opgenomen:
a. informatie over het schip waarmee het experiment wordt uitgevoerd;
b. contactgegevens van de verantwoordelijke of verantwoordelijken voor het schip gedurende het experiment;
c. locatie of traject waar het experiment mag plaatsvinden;
d. ingangsdatum en einddatum van het experiment;
e. dat de experimenteerpartij een verzoek tot verlenging van het experiment als bedoeld in artikel 8, kan indienen, en
f. hoeveelheid, samenstelling of de locatie van de personen die meewerken aan het experiment, met inbegrip van de bemanningsleden.
3. Aan de toestemming worden in ieder geval de volgende voorschriften verbonden:
a. de toestemming kan op verzoek gedurende het experiment te allen tijde worden getoond;
b. de verantwoordelijke voor het schip gedurende het experiment controleert voor de start van elk onderdeel van het experiment of het schip, de te testen geautomatiseerde toepassing en de voorziene veiligheidsmaatregelen adequaat werken;
c. de verantwoordelijke voor het schip gedurende het experiment is te allen tijde in staat het schip te voeren;
d. indien het gedurende het experiment nodig was om in te grijpen, onder andere ten gevolge van een defect of storing, wordt de te testen geautomatiseerde toepassing gecontroleerd en worden er, indien nodig, aanpassingen gedaan; en
e. de verantwoordelijke voor het schip gedurende het experiment meldt ieder ingrijpen gedurende een experiment onverwijld aan de Directeur-Generaal Rijkswaterstaat. Daarbij wordt tevens gemeld op welke wijze is ingegrepen en op welke wijze is vastgesteld dat het defect of de storing zich naar alle waarschijnlijk niet wederom kan plaatsvinden.
4. Aan de toestemming kunnen aanvullende voorschriften worden gesteld die nodig worden geacht voor de uitvoering van het experiment. Deze aanvullende voorschriften worden tevens opgenomen in de toestemming.