BWBR0040936
Geldig vanaf 2018-07-01
Artikel 5
Tijdelijk besluit digitale toegankelijkheid overheid
1. Onze Minister draagt zorg voor monitoring en rapportage inzake de naleving van dit besluit.
2. De methodiek ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde taak omvat in ieder geval de volgende elementen:
a. de frequentie van onderzoek naar de mate waarin websites en mobile applicaties van overheidsinstanties toegankelijk zijn;
b. het nemen van steekproeven en het doen van testen;
c. de aanwezigheid en de inhoud van de in artikel 4 bedoelde verklaring bij overheidsinstanties;
d. de wijze waarop naleving of niet-naleving van toegankelijkheid kan worden aangetoond;
e. het verstrekken van informatie aan overheidsinstanties bij geconstateerde tekortkomingen teneinde deze te verhelpen.
3. De in het tweede lid bedoelde methodiek is gebaseerd op de methodiek die is vastgesteld op grond van artikel 8, tweede lid, van richtlijn (EU) 2016/2102 en gaat voor de toepassing van dit besluit gelden met ingang van de dag waarop aan het hanteren van de methodiek uitvoering moet zijn gegeven.
4. Onze Minister rapporteert volgens de regels en procedure van artikel 8, vierde tot en met zesde lid, van richtlijn (EU) 2016/2102.
2. De methodiek ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde taak omvat in ieder geval de volgende elementen:
a. de frequentie van onderzoek naar de mate waarin websites en mobile applicaties van overheidsinstanties toegankelijk zijn;
b. het nemen van steekproeven en het doen van testen;
c. de aanwezigheid en de inhoud van de in artikel 4 bedoelde verklaring bij overheidsinstanties;
d. de wijze waarop naleving of niet-naleving van toegankelijkheid kan worden aangetoond;
e. het verstrekken van informatie aan overheidsinstanties bij geconstateerde tekortkomingen teneinde deze te verhelpen.
3. De in het tweede lid bedoelde methodiek is gebaseerd op de methodiek die is vastgesteld op grond van artikel 8, tweede lid, van richtlijn (EU) 2016/2102 en gaat voor de toepassing van dit besluit gelden met ingang van de dag waarop aan het hanteren van de methodiek uitvoering moet zijn gegeven.
4. Onze Minister rapporteert volgens de regels en procedure van artikel 8, vierde tot en met zesde lid, van richtlijn (EU) 2016/2102.