BWBR0040844
Geldig vanaf 2018-05-01
Artikel 5
Besluit maatregelen rechtstreeks geautomatiseerde toegang inlichtingen- en veiligheidsdiensten
1. De diensten nemen de noodzakelijke technische en organisatorische maatregelen teneinde een rechtmatig gebruik door de diensten van de rechtstreeks geautomatiseerde toegang tot gegevens als bedoeld in de artikelen 39, derde lid, en 94, tweede lid, van de wette waarborgen.
2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, bestaan in ieder geval uit:
a. maatregelen gericht op de personen die het informatiesysteem van de toegangverlener waartoe de rechtstreeks geautomatiseerde toegang wordt verleend, kunnen bevragen en daaruit gegevens kunnen ontvangen;
b. maatregelen gericht op een deugdelijke werking van het systeem van de dienst waarmee rechtstreeks geautomatiseerde toegang wordt verkregen.
3. Het gebruik van het informatiesysteem van de dienst waarmee rechtstreeks geautomatiseerde toegang tot de gegevens wordt verkregen, wordt door de dienst vastgelegd. Daarbij wordt in ieder geval vastgelegd:
a. gegevens waarmee de medewerker die van het systeem gebruik heeft gemaakt kan worden geïdentificeerd;
b. de gegevens die in het kader van het gebruik van het systeem zijn ingevoerd;
c. de gegevens die met gebruikmaking van het systeem zijn ontvangen;
d. datum en tijdstip waarop van het systeem gebruik is gemaakt.
2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, bestaan in ieder geval uit:
a. maatregelen gericht op de personen die het informatiesysteem van de toegangverlener waartoe de rechtstreeks geautomatiseerde toegang wordt verleend, kunnen bevragen en daaruit gegevens kunnen ontvangen;
b. maatregelen gericht op een deugdelijke werking van het systeem van de dienst waarmee rechtstreeks geautomatiseerde toegang wordt verkregen.
3. Het gebruik van het informatiesysteem van de dienst waarmee rechtstreeks geautomatiseerde toegang tot de gegevens wordt verkregen, wordt door de dienst vastgelegd. Daarbij wordt in ieder geval vastgelegd:
a. gegevens waarmee de medewerker die van het systeem gebruik heeft gemaakt kan worden geïdentificeerd;
b. de gegevens die in het kader van het gebruik van het systeem zijn ingevoerd;
c. de gegevens die met gebruikmaking van het systeem zijn ontvangen;
d. datum en tijdstip waarop van het systeem gebruik is gemaakt.