BWBR0040754
Geldig vanaf 2018-03-27
Artikel 3
Regeling periodiek evaluatieonderzoek
1. Het beleid dat (mede) wordt gevoerd op grond van één of meer beleidsartikelen uit de rijksbegroting, wordt ten minste eens in de zeven jaar geëvalueerd in een beleidsdoorlichting.
2. De begroting en het jaarverslag geven aan welke beleidsdoorlichtingen in welk jaar zijn of worden uitgevoerd.
3. De eisen in artikel 2zijn op de beleidsdoorlichtingen van toepassing.
4. Een beleidsdoorlichting bevat in ieder geval de volgende onderdelen:
a. een afbakening van het te onderzoeken beleidsterrein;
b. de gehanteerde motivering voor het beleid en de met het beleid beoogde doelen;
c. een beschrijving van het beleidsterrein en de onderbouwing van de daarmee gemoeide uitgaven;
d. een overzicht van eerder uitgevoerd onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid en een onderbouwing van de gekozen evaluatieprogrammering;
e. de effecten van het gevoerde beleid en een analyse en beoordeling van de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid, dit wil zeggen alle beleidsinstrumenten in hun onderlinge samenhang, en – indien relevant – de effecten van het beleid op economische groei en regeldruk;
f. een beschouwing over de maatregelen die genomen kunnen worden ter verdere verhoging van de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het beleid;
g. een beschrijving van beleidsopties indien er significant minder middelen (-/- 20%) beschikbaar zijn.
5. De Minister die het aangaat, zendt de beleidsdoorlichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
6. Bij elke beleidsdoorlichting geeft ten minste één onafhankelijk deskundige een oordeel over de kwaliteit van de beleidsdoorlichting en een toelichting op de betrokkenheid en inbreng van de onafhankelijk deskundige bij de totstandkoming van de beleidsdoorlichting. Deze toelichting wordt opgenomen in de beleidsdoorlichting of als bijlage meegestuurd naar de Tweede Kamer.
7. De onafhankelijk deskundige die bij een beleidsdoorlichting is betrokken, is niet werkzaam bij ministeries en is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van het te onderzoeken beleid. Medewerkers van de inspectiediensten van het Rijk, de Auditdienst Rijk en de departementale onderzoeksinstellingen met een onafhankelijke status kunnen wel als onafhankelijk deskundigen optreden.
2. De begroting en het jaarverslag geven aan welke beleidsdoorlichtingen in welk jaar zijn of worden uitgevoerd.
3. De eisen in artikel 2zijn op de beleidsdoorlichtingen van toepassing.
4. Een beleidsdoorlichting bevat in ieder geval de volgende onderdelen:
a. een afbakening van het te onderzoeken beleidsterrein;
b. de gehanteerde motivering voor het beleid en de met het beleid beoogde doelen;
c. een beschrijving van het beleidsterrein en de onderbouwing van de daarmee gemoeide uitgaven;
d. een overzicht van eerder uitgevoerd onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid en een onderbouwing van de gekozen evaluatieprogrammering;
e. de effecten van het gevoerde beleid en een analyse en beoordeling van de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid, dit wil zeggen alle beleidsinstrumenten in hun onderlinge samenhang, en – indien relevant – de effecten van het beleid op economische groei en regeldruk;
f. een beschouwing over de maatregelen die genomen kunnen worden ter verdere verhoging van de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het beleid;
g. een beschrijving van beleidsopties indien er significant minder middelen (-/- 20%) beschikbaar zijn.
5. De Minister die het aangaat, zendt de beleidsdoorlichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
6. Bij elke beleidsdoorlichting geeft ten minste één onafhankelijk deskundige een oordeel over de kwaliteit van de beleidsdoorlichting en een toelichting op de betrokkenheid en inbreng van de onafhankelijk deskundige bij de totstandkoming van de beleidsdoorlichting. Deze toelichting wordt opgenomen in de beleidsdoorlichting of als bijlage meegestuurd naar de Tweede Kamer.
7. De onafhankelijk deskundige die bij een beleidsdoorlichting is betrokken, is niet werkzaam bij ministeries en is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van het te onderzoeken beleid. Medewerkers van de inspectiediensten van het Rijk, de Auditdienst Rijk en de departementale onderzoeksinstellingen met een onafhankelijke status kunnen wel als onafhankelijk deskundigen optreden.