BWBR0040730
Geldig vanaf 2018-03-29
Artikel 6
Regeling beperking of verbod uitoefening burgerluchtverkeer in bepaalde gebieden 2018
1. Het verbod, genoemd in artikel 2, eerste lid(gebied EHR 3), is niet van toepassing op:
a. luchtvaartuigen van de Dienst infrastructuur van de Eenheid landelijke expertise en operaties van de politie, en
b. helikopters die worden gebruikt voor spoedeisende hulpverlening door traumateams en het vervoer van slachtoffers of voor zoek- en reddingsacties.
2. De verboden, genoemd in de artikelen 3en 4, zijn niet van toepassing op:
a. luchtvaartuigen van de Dienst infrastructuur van de Eenheid landelijke expertise en operaties van de politie;
b. helikopters die worden gebruikt voor spoedeisende hulpverlening door traumateams en het vervoer van slachtoffers of voor zoek- en reddingsacties.
3. Het verbod, genoemd in artikel 5, onderdeel a(gebied EHP 25), is niet van toepassing op:
a. luchtvaartuigen van de Dienst infrastructuur van de Eenheid landelijke expertise en operaties van de politie;
b. luchtvaartuigen die worden gebruikt ten behoeve van het vervoer van leden van het Koninklijk Huis, staatshoofden en ministers;
c. helikopters die worden gebruikt voor spoedeisende hulpverlening door traumateams en het vervoer van slachtoffers of voor zoek- en reddingsacties.
4. Het verbod, genoemd in artikel 5, onderdelen b (gebied EHP 26) en c(gebied EHP 26A), is niet van toepassing op:
a. luchtvaartuigen van de Dienst infrastructuur van de Eenheid landelijke expertise en operaties van de politie;
b. luchtvaartuigen die worden gebruikt ten behoeve van het vervoer van leden van het Koninklijk Huis, staatshoofden en ministers;
c. helikopters die worden gebruikt voor spoedeisende hulpverlening door traumateams en het vervoer van slachtoffers of voor zoek- en reddingsacties;
d. ambulancevluchten voor het Medisch Centrum Haaglanden Westeinde in Den Haag;
e. vluchten door civiel geregistreerde historische militaire luchtvaartuigen die deelnemen aan de luchtvaartvertoning ter gelegenheid van de Nederlandse Veteranendag.
5. Het verbod, genoemd in artikel 5, onderdeel d(gebied EHP 29), is niet van toepassing op:
a. vluchten uitgevoerd met onbemande luchtvaartuigen, voor zover niet anders is bepaald in artikel 5, onder e, van deze regeling;
b. vluchten uitgevoerd met een vliegtuig of helikopter in het kader van de politietaak, bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 2012;
c. vluchten uitgevoerd met een helikopter krachtens een AOC met voorziening A3-Emergency medical service (HEMS);
d. vluchten uitgevoerd door de brandweer.
6. Het verbod, genoemd in artikel 5, onderdeel e(gebied EHP 30), is niet van toepassing op:
a. vluchten uitgevoerd met bemande luchtvaartuigen, voor zover niet anders is bepaald in artikel 5, onder d, van deze regeling;
b. vluchten uitgevoerd in het kader van de politietaak, bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 2012;
c. vluchten uitgevoerd door de brandweer;
d. vluchten uitgevoerd door de Dienst Justitiële Inrichtingen.
7. Aan de gezagvoerders van luchtvaartuigen die ondersteuning leveren aan Defensie, kan door de autoriteiten, genoemd in artikel 7, eerste lid, toestemming worden gegeven gebruik te maken van de gebieden, genoemd in artikel 2, eerste tot en met vierde lid. Aan de toestemming kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
a. luchtvaartuigen van de Dienst infrastructuur van de Eenheid landelijke expertise en operaties van de politie, en
b. helikopters die worden gebruikt voor spoedeisende hulpverlening door traumateams en het vervoer van slachtoffers of voor zoek- en reddingsacties.
2. De verboden, genoemd in de artikelen 3en 4, zijn niet van toepassing op:
a. luchtvaartuigen van de Dienst infrastructuur van de Eenheid landelijke expertise en operaties van de politie;
b. helikopters die worden gebruikt voor spoedeisende hulpverlening door traumateams en het vervoer van slachtoffers of voor zoek- en reddingsacties.
3. Het verbod, genoemd in artikel 5, onderdeel a(gebied EHP 25), is niet van toepassing op:
a. luchtvaartuigen van de Dienst infrastructuur van de Eenheid landelijke expertise en operaties van de politie;
b. luchtvaartuigen die worden gebruikt ten behoeve van het vervoer van leden van het Koninklijk Huis, staatshoofden en ministers;
c. helikopters die worden gebruikt voor spoedeisende hulpverlening door traumateams en het vervoer van slachtoffers of voor zoek- en reddingsacties.
4. Het verbod, genoemd in artikel 5, onderdelen b (gebied EHP 26) en c(gebied EHP 26A), is niet van toepassing op:
a. luchtvaartuigen van de Dienst infrastructuur van de Eenheid landelijke expertise en operaties van de politie;
b. luchtvaartuigen die worden gebruikt ten behoeve van het vervoer van leden van het Koninklijk Huis, staatshoofden en ministers;
c. helikopters die worden gebruikt voor spoedeisende hulpverlening door traumateams en het vervoer van slachtoffers of voor zoek- en reddingsacties;
d. ambulancevluchten voor het Medisch Centrum Haaglanden Westeinde in Den Haag;
e. vluchten door civiel geregistreerde historische militaire luchtvaartuigen die deelnemen aan de luchtvaartvertoning ter gelegenheid van de Nederlandse Veteranendag.
5. Het verbod, genoemd in artikel 5, onderdeel d(gebied EHP 29), is niet van toepassing op:
a. vluchten uitgevoerd met onbemande luchtvaartuigen, voor zover niet anders is bepaald in artikel 5, onder e, van deze regeling;
b. vluchten uitgevoerd met een vliegtuig of helikopter in het kader van de politietaak, bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 2012;
c. vluchten uitgevoerd met een helikopter krachtens een AOC met voorziening A3-Emergency medical service (HEMS);
d. vluchten uitgevoerd door de brandweer.
6. Het verbod, genoemd in artikel 5, onderdeel e(gebied EHP 30), is niet van toepassing op:
a. vluchten uitgevoerd met bemande luchtvaartuigen, voor zover niet anders is bepaald in artikel 5, onder d, van deze regeling;
b. vluchten uitgevoerd in het kader van de politietaak, bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 2012;
c. vluchten uitgevoerd door de brandweer;
d. vluchten uitgevoerd door de Dienst Justitiële Inrichtingen.
7. Aan de gezagvoerders van luchtvaartuigen die ondersteuning leveren aan Defensie, kan door de autoriteiten, genoemd in artikel 7, eerste lid, toestemming worden gegeven gebruik te maken van de gebieden, genoemd in artikel 2, eerste tot en met vierde lid. Aan de toestemming kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.