BWBR0040683
Geldig vanaf 1987-08-28
Artikel 11
Regeling cursusfaciliteiten en studietoelage
1. Een verzoek om in aanmerking te komen voor een studietoelage kan slechts worden ingewilligd, indien naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel:
a. de militair de geschiktheid voor de uitoefening van het door hem verlangde beroep bezit en verwacht mag worden, dat hij over voldoende aanleg en ontwikkeling beschikt om het gewenste onderricht met gunstig resultaat te kunnen volgen;
b. het gewenste onderricht voor de militair doelmatig is;
c. de aan het volgen van dat onderricht verbonden, kosten verantwoord zijn;
d. de militair zich reeds tijdens zijn aanstelling op de uitoefening van het door hem verlangde beroep heeft voorbereid, door het – voor zover daartoe de gelegenheid was – buiten de diensturen volgen van schriftelijk of mondeling onderricht;
e. de militair de bevoegdheid tot het afleggen van examens in de door hem beoogde studierichting bezit.
2. Een verzoek om in aanmerking te komen voor een studietoelage kan worden afgewezen, indien, naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel in de kosten van de door de militair beoogde opleiding door het verlenen van een studietoelage uit anderen hoofde genoegzaam is of zal worden voorzien.
3. Indien de militair, die in beginsel voor toekenning van een studietoelage in aanmerking komt, gedurende de periode, waarvoor de toelage zal worden verleend, over netto-inkomsten, verkregen uit eigen arbeid, kan beschikken, die (vermoedelijk) meer bedragen dan een door het hoofd defensieonderdeel vast te stellen bedrag, wordt het meerdere van die inkomsten op de te verlenen toelage in mindering gebracht, met dien verstande, dat hij altijd een studietoelage als tegemoetkoming in de kosten zoals genoemd in artikel 9, tweede lid, onder a, b, c, f en gontvangt.
4. Een studietoelage wordt in één bedrag of in termijnen uitbetaald.
a. de militair de geschiktheid voor de uitoefening van het door hem verlangde beroep bezit en verwacht mag worden, dat hij over voldoende aanleg en ontwikkeling beschikt om het gewenste onderricht met gunstig resultaat te kunnen volgen;
b. het gewenste onderricht voor de militair doelmatig is;
c. de aan het volgen van dat onderricht verbonden, kosten verantwoord zijn;
d. de militair zich reeds tijdens zijn aanstelling op de uitoefening van het door hem verlangde beroep heeft voorbereid, door het – voor zover daartoe de gelegenheid was – buiten de diensturen volgen van schriftelijk of mondeling onderricht;
e. de militair de bevoegdheid tot het afleggen van examens in de door hem beoogde studierichting bezit.
2. Een verzoek om in aanmerking te komen voor een studietoelage kan worden afgewezen, indien, naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel in de kosten van de door de militair beoogde opleiding door het verlenen van een studietoelage uit anderen hoofde genoegzaam is of zal worden voorzien.
3. Indien de militair, die in beginsel voor toekenning van een studietoelage in aanmerking komt, gedurende de periode, waarvoor de toelage zal worden verleend, over netto-inkomsten, verkregen uit eigen arbeid, kan beschikken, die (vermoedelijk) meer bedragen dan een door het hoofd defensieonderdeel vast te stellen bedrag, wordt het meerdere van die inkomsten op de te verlenen toelage in mindering gebracht, met dien verstande, dat hij altijd een studietoelage als tegemoetkoming in de kosten zoals genoemd in artikel 9, tweede lid, onder a, b, c, f en gontvangt.
4. Een studietoelage wordt in één bedrag of in termijnen uitbetaald.